ik gaffel
jij (je) gaffelt
hij/zij/het gaffelt
wij (we) gaffelen
jullie gaffelen
zij (ze) gaffelen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik gaffelde
jij (je) gaffelde
hij/zij/het gaffelde
wij (we) gaffelden
jullie gaffelden
zij (ze) gaffelden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gegaffeld
jij (je) hebt gegaffeld
hij/zij/het heeft gegaffeld
wij (we) hebben gegaffeld
jullie hebben gegaffeld
zij (ze) hebben gegaffeld
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gegaffeld
jij (je) had gegaffeld
hij/zij/het had gegaffeld
wij (we) hadden gegaffeld
jullie hadden gegaffeld
zij (ze) hadden gegaffeld
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal gaffelen
jij (je) zult gaffelen
hij/zij/het zal gaffelen
wij (we) zullen gaffelen
jullie zullen gaffelen
zij (ze) zullen gaffelen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gegaffeld hebben
jij (je) zult gegaffeld hebben
hij/zij/het zal gegaffeld hebben
wij (we) zullen gegaffeld hebben
jullie zullen gegaffeld hebben
zij (ze) zullen gegaffeld hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou gaffelen
jij (je) zou gaffelen
hij/zij/het zou gaffelen
wij (we) zouden gaffelen
jullie zouden gaffelen
zij (ze) zouden gaffelen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gegaffeld hebben
jij (je) zou gegaffeld hebben
hij/zij/het zou gegaffeld hebben
wij (we) zouden gegaffeld hebben
jullie zouden gegaffeld hebben
zij (ze) zouden gegaffeld hebben