ik modder
jij (je) moddert
hij/zij/het moddert
wij (we) modderen
jullie modderen
zij (ze) modderen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik modderde
jij (je) modderde
hij/zij/het modderde
wij (we) modderden
jullie modderden
zij (ze) modderden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gemodderd
jij (je) hebt gemodderd
hij/zij/het heeft gemodderd
wij (we) hebben gemodderd
jullie hebben gemodderd
zij (ze) hebben gemodderd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gemodderd
jij (je) had gemodderd
hij/zij/het had gemodderd
wij (we) hadden gemodderd
jullie hadden gemodderd
zij (ze) hadden gemodderd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal modderen
jij (je) zult modderen
hij/zij/het zal modderen
wij (we) zullen modderen
jullie zullen modderen
zij (ze) zullen modderen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gemodderd hebben
jij (je) zult gemodderd hebben
hij/zij/het zal gemodderd hebben
wij (we) zullen gemodderd hebben
jullie zullen gemodderd hebben
zij (ze) zullen gemodderd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou modderen
jij (je) zou modderen
hij/zij/het zou modderen
wij (we) zouden modderen
jullie zouden modderen
zij (ze) zouden modderen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gemodderd hebben
jij (je) zou gemodderd hebben
hij/zij/het zou gemodderd hebben
wij (we) zouden gemodderd hebben
jullie zouden gemodderd hebben
zij (ze) zouden gemodderd hebben