ik naai
jij (je) naait
hij/zij/het naait
wij (we) naaien
jullie naaien
zij (ze) naaien
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik naaide
jij (je) naaide
hij/zij/het naaide
wij (we) naaiden
jullie naaiden
zij (ze) naaiden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb genaaid
jij (je) hebt genaaid
hij/zij/het heeft genaaid
wij (we) hebben genaaid
jullie hebben genaaid
zij (ze) hebben genaaid
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had genaaid
jij (je) had genaaid
hij/zij/het had genaaid
wij (we) hadden genaaid
jullie hadden genaaid
zij (ze) hadden genaaid
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal naaien
jij (je) zult naaien
hij/zij/het zal naaien
wij (we) zullen naaien
jullie zullen naaien
zij (ze) zullen naaien
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal genaaid hebben
jij (je) zult genaaid hebben
hij/zij/het zal genaaid hebben
wij (we) zullen genaaid hebben
jullie zullen genaaid hebben
zij (ze) zullen genaaid hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou naaien
jij (je) zou naaien
hij/zij/het zou naaien
wij (we) zouden naaien
jullie zouden naaien
zij (ze) zouden naaien
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou genaaid hebben
jij (je) zou genaaid hebben
hij/zij/het zou genaaid hebben
wij (we) zouden genaaid hebben
jullie zouden genaaid hebben
zij (ze) zouden genaaid hebben