ik heb neergelaten
jij (je) hebt neergelaten
hij/zij/het heeft neergelaten
wij (we) hebben neergelaten
jullie hebben neergelaten
zij (ze) hebben neergelaten
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had neergelaten
jij (je) had neergelaten
hij/zij/het had neergelaten
wij (we) hadden neergelaten
jullie hadden neergelaten
zij (ze) hadden neergelaten
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal neerlaten
jij (je) zult neerlaten
hij/zij/het zal neerlaten
wij (we) zullen neerlaten
jullie zullen neerlaten
zij (ze) zullen neerlaten
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal neergelaten hebben
jij (je) zult neergelaten hebben
hij/zij/het zal neergelaten hebben
wij (we) zullen neergelaten hebben
jullie zullen neergelaten hebben
zij (ze) zullen neergelaten hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou neerlaten
jij (je) zou neerlaten
hij/zij/het zou neerlaten
wij (we) zouden neerlaten
jullie zouden neerlaten
zij (ze) zouden neerlaten
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou neergelaten hebben
jij (je) zou neergelaten hebben
hij/zij/het zou neergelaten hebben
wij (we) zouden neergelaten hebben
jullie zouden neergelaten hebben
zij (ze) zouden neergelaten hebben