ik nijp
jij (je) nijpt
hij/zij/het nijpt
wij (we) nijpen
jullie nijpen
zij (ze) nijpen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik neep
jij (je) neep
hij/zij/het neep
wij (we) nepen
jullie nepen
zij (ze) nepen
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb genepen
jij (je) hebt genepen
hij/zij/het heeft genepen
wij (we) hebben genepen
jullie hebben genepen
zij (ze) hebben genepen
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had genepen
jij (je) had genepen
hij/zij/het had genepen
wij (we) hadden genepen
jullie hadden genepen
zij (ze) hadden genepen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal nijpen
jij (je) zult nijpen
hij/zij/het zal nijpen
wij (we) zullen nijpen
jullie zullen nijpen
zij (ze) zullen nijpen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal genepen hebben
jij (je) zult genepen hebben
hij/zij/het zal genepen hebben
wij (we) zullen genepen hebben
jullie zullen genepen hebben
zij (ze) zullen genepen hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou nijpen
jij (je) zou nijpen
hij/zij/het zou nijpen
wij (we) zouden nijpen
jullie zouden nijpen
zij (ze) zouden nijpen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou genepen hebben
jij (je) zou genepen hebben
hij/zij/het zou genepen hebben
wij (we) zouden genepen hebben
jullie zouden genepen hebben
zij (ze) zouden genepen hebben