ik nijg
jij (je) nijgt
hij/zij/het nijgt
wij (we) nijgen
jullie nijgen
zij (ze) nijgen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik neeg
jij (je) neeg
hij/zij/het neeg
wij (we) negen
jullie negen
zij (ze) negen
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb genegen
jij (je) hebt genegen
hij/zij/het heeft genegen
wij (we) hebben genegen
jullie hebben genegen
zij (ze) hebben genegen
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had genegen
jij (je) had genegen
hij/zij/het had genegen
wij (we) hadden genegen
jullie hadden genegen
zij (ze) hadden genegen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal nijgen
jij (je) zult nijgen
hij/zij/het zal nijgen
wij (we) zullen nijgen
jullie zullen nijgen
zij (ze) zullen nijgen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal genegen hebben
jij (je) zult genegen hebben
hij/zij/het zal genegen hebben
wij (we) zullen genegen hebben
jullie zullen genegen hebben
zij (ze) zullen genegen hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou nijgen
jij (je) zou nijgen
hij/zij/het zou nijgen
wij (we) zouden nijgen
jullie zouden nijgen
zij (ze) zouden nijgen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou genegen hebben
jij (je) zou genegen hebben
hij/zij/het zou genegen hebben
wij (we) zouden genegen hebben
jullie zouden genegen hebben
zij (ze) zouden genegen hebben