ik overhandig
jij (je) overhandigt
hij/zij/het overhandigt
wij (we) overhandigen
jullie overhandigen
zij (ze) overhandigen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik overhandigde
jij (je) overhandigde
hij/zij/het overhandigde
wij (we) overhandigden
jullie overhandigden
zij (ze) overhandigden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb overhandigd
jij (je) hebt overhandigd
hij/zij/het heeft overhandigd
wij (we) hebben overhandigd
jullie hebben overhandigd
zij (ze) hebben overhandigd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had overhandigd
jij (je) had overhandigd
hij/zij/het had overhandigd
wij (we) hadden overhandigd
jullie hadden overhandigd
zij (ze) hadden overhandigd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal overhandigen
jij (je) zult overhandigen
hij/zij/het zal overhandigen
wij (we) zullen overhandigen
jullie zullen overhandigen
zij (ze) zullen overhandigen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal overhandigd hebben
jij (je) zult overhandigd hebben
hij/zij/het zal overhandigd hebben
wij (we) zullen overhandigd hebben
jullie zullen overhandigd hebben
zij (ze) zullen overhandigd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou overhandigen
jij (je) zou overhandigen
hij/zij/het zou overhandigen
wij (we) zouden overhandigen
jullie zouden overhandigen
zij (ze) zouden overhandigen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou overhandigd hebben
jij (je) zou overhandigd hebben
hij/zij/het zou overhandigd hebben
wij (we) zouden overhandigd hebben
jullie zouden overhandigd hebben
zij (ze) zouden overhandigd hebben