Overleggen Conjugation - Hollandaca

Son güncelleme: 23.07.2014 16:16
  • hollandaca fiil çekimleri - overleggen fiilinin hollandaca çekimi - overleggen fiilini hollandaca çekimle
    onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

    ik overleg; leg over
    jij (je) overlegt; legt over
    hij/zij/het overlegt; legt over
    wij (we) overleggen; leggen over
    jullie overleggen; leggen over
    zij (ze) overleggen; leggen over

    onvoltooid verleden tijd (ovt)

    ik overlegde; legde over
    jij (je) overlegde; legde over
    hij/zij/het overlegde; legde over
    wij (we) overlegden; legden over
    jullie overlegden; legden over
    zij (ze) overlegden; legden over

    voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

    ik heb overlegd; overgelegd
    jij (je) hebt overlegd; overgelegd
    hij/zij/het heeft overlegd; overgelegd
    wij (we) hebben overlegd; overgelegd
    jullie hebben overlegd; overgelegd
    zij (ze) hebben overlegd; overgelegd

    voltooid verleden tijd (vvt)

    ik had overlegd; overgelegd
    jij (je) had overlegd; overgelegd
    hij/zij/het had overlegd; overgelegd
    wij (we) hadden overlegd; overgelegd
    jullie hadden overlegd; overgelegd
    zij (ze) hadden overlegd; overgelegd

    onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

    ik zal overleggen
    jij (je) zult overleggen
    hij/zij/het zal overleggen
    wij (we) zullen overleggen
    jullie zullen overleggen
    zij (ze) zullen overleggen

    voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

    ik zal overlegd; overgelegd hebben
    jij (je) zult overlegd; overgelegd hebben
    hij/zij/het zal overlegd; overgelegd hebben
    wij (we) zullen overlegd; overgelegd hebben
    jullie zullen overlegd; overgelegd hebben
    zij (ze) zullen overlegd; overgelegd hebben


    onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)

    ik zou overleggen
    jij (je) zou overleggen
    hij/zij/het zou overleggen
    wij (we) zouden overleggen
    jullie zouden overleggen
    zij (ze) zouden overleggen

    voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)

    ik zou overlegd; overgelegd hebben
    jij (je) zou overlegd; overgelegd hebben
    hij/zij/het zou overlegd; overgelegd hebben
    wij (we) zouden overlegd; overgelegd hebben
    jullie zouden overlegd; overgelegd hebben
    zij (ze) zouden overlegd; overgelegd hebben

    gebiedende wijs

    jij (je) overleg; leg over
    jullie overleg; leg over


    onvoltooid deelwoord

    overleggend

    voltooid deelwoord

    overlegd; overgelegd

    alıntı
#23.07.2014 16:16 0 0 0