ik kom overeen
jij (je) komt overeen
hij/zij/het komt overeen
wij (we) komen overeen
jullie komen overeen
zij (ze) komen overeen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik kwam overeen
jij (je) kwam overeen
hij/zij/het kwam overeen
wij (we) kwamen overeen
jullie kwamen overeen
zij (ze) kwamen overeen
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik ben overeengekomen
jij (je) bent overeengekomen
hij/zij/het is overeengekomen
wij (we) zijn overeengekomen
jullie zijn overeengekomen
zij (ze) zijn overeengekomen
voltooid verleden tijd (vvt)
ik was overeengekomen
jij (je) was overeengekomen
hij/zij/het was overeengekomen
wij (we) waren overeengekomen
jullie waren overeengekomen
zij (ze) waren overeengekomen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal overeenkomen
jij (je) zult overeenkomen
hij/zij/het zal overeenkomen
wij (we) zullen overeenkomen
jullie zullen overeenkomen
zij (ze) zullen overeenkomen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal overeengekomen zijn
jij (je) zult overeengekomen zijn
hij/zij/het zal overeengekomen zijn
wij (we) zullen overeengekomen zijn
jullie zullen overeengekomen zijn
zij (ze) zullen overeengekomen zijn
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou overeenkomen
jij (je) zou overeenkomen
hij/zij/het zou overeenkomen
wij (we) zouden overeenkomen
jullie zouden overeenkomen
zij (ze) zouden overeenkomen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou overeengekomen zijn
jij (je) zou overeengekomen zijn
hij/zij/het zou overeengekomen zijn
wij (we) zouden overeengekomen zijn
jullie zouden overeengekomen zijn
zij (ze) zouden overeengekomen zijn