ik ploeg
jij (je) ploegt
hij/zij/het ploegt
wij (we) ploegen
jullie ploegen
zij (ze) ploegen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik ploegde
jij (je) ploegde
hij/zij/het ploegde
wij (we) ploegden
jullie ploegden
zij (ze) ploegden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geploegd
jij (je) hebt geploegd
hij/zij/het heeft geploegd
wij (we) hebben geploegd
jullie hebben geploegd
zij (ze) hebben geploegd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geploegd
jij (je) had geploegd
hij/zij/het had geploegd
wij (we) hadden geploegd
jullie hadden geploegd
zij (ze) hadden geploegd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal ploegen
jij (je) zult ploegen
hij/zij/het zal ploegen
wij (we) zullen ploegen
jullie zullen ploegen
zij (ze) zullen ploegen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geploegd hebben
jij (je) zult geploegd hebben
hij/zij/het zal geploegd hebben
wij (we) zullen geploegd hebben
jullie zullen geploegd hebben
zij (ze) zullen geploegd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou ploegen
jij (je) zou ploegen
hij/zij/het zou ploegen
wij (we) zouden ploegen
jullie zouden ploegen
zij (ze) zouden ploegen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geploegd hebben
jij (je) zou geploegd hebben
hij/zij/het zou geploegd hebben
wij (we) zouden geploegd hebben
jullie zouden geploegd hebben
zij (ze) zouden geploegd hebben