ik raaskal
jij (je) raaskalt
hij/zij/het raaskalt
wij (we) raaskallen
jullie raaskallen
zij (ze) raaskallen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik raaskalde
jij (je) raaskalde
hij/zij/het raaskalde
wij (we) raaskalden
jullie raaskalden
zij (ze) raaskalden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geraaskald
jij (je) hebt geraaskald
hij/zij/het heeft geraaskald
wij (we) hebben geraaskald
jullie hebben geraaskald
zij (ze) hebben geraaskald
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geraaskald
jij (je) had geraaskald
hij/zij/het had geraaskald
wij (we) hadden geraaskald
jullie hadden geraaskald
zij (ze) hadden geraaskald
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal raaskallen
jij (je) zult raaskallen
hij/zij/het zal raaskallen
wij (we) zullen raaskallen
jullie zullen raaskallen
zij (ze) zullen raaskallen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geraaskald hebben
jij (je) zult geraaskald hebben
hij/zij/het zal geraaskald hebben
wij (we) zullen geraaskald hebben
jullie zullen geraaskald hebben
zij (ze) zullen geraaskald hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou raaskallen
jij (je) zou raaskallen
hij/zij/het zou raaskallen
wij (we) zouden raaskallen
jullie zouden raaskallen
zij (ze) zouden raaskallen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geraaskald hebben
jij (je) zou geraaskald hebben
hij/zij/het zou geraaskald hebben
wij (we) zouden geraaskald hebben
jullie zouden geraaskald hebben
zij (ze) zouden geraaskald hebben