ik rooster
jij (je) roostert
hij/zij/het roostert
wij (we) roosteren
jullie roosteren
zij (ze) roosteren
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik roosterde
jij (je) roosterde
hij/zij/het roosterde
wij (we) roosterden
jullie roosterden
zij (ze) roosterden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geroosterd
jij (je) hebt geroosterd
hij/zij/het heeft geroosterd
wij (we) hebben geroosterd
jullie hebben geroosterd
zij (ze) hebben geroosterd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geroosterd
jij (je) had geroosterd
hij/zij/het had geroosterd
wij (we) hadden geroosterd
jullie hadden geroosterd
zij (ze) hadden geroosterd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal roosteren
jij (je) zult roosteren
hij/zij/het zal roosteren
wij (we) zullen roosteren
jullie zullen roosteren
zij (ze) zullen roosteren
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geroosterd hebben
jij (je) zult geroosterd hebben
hij/zij/het zal geroosterd hebben
wij (we) zullen geroosterd hebben
jullie zullen geroosterd hebben
zij (ze) zullen geroosterd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou roosteren
jij (je) zou roosteren
hij/zij/het zou roosteren
wij (we) zouden roosteren
jullie zouden roosteren
zij (ze) zouden roosteren
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geroosterd hebben
jij (je) zou geroosterd hebben
hij/zij/het zou geroosterd hebben
wij (we) zouden geroosterd hebben
jullie zouden geroosterd hebben
zij (ze) zouden geroosterd hebben