ik sanctioneer
jij (je) sanctioneert
hij/zij/het sanctioneert
wij (we) sanctioneren
jullie sanctioneren
zij (ze) sanctioneren
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik sanctioneerde
jij (je) sanctioneerde
hij/zij/het sanctioneerde
wij (we) sanctioneerden
jullie sanctioneerden
zij (ze) sanctioneerden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gesanctioneerd
jij (je) hebt gesanctioneerd
hij/zij/het heeft gesanctioneerd
wij (we) hebben gesanctioneerd
jullie hebben gesanctioneerd
zij (ze) hebben gesanctioneerd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gesanctioneerd
jij (je) had gesanctioneerd
hij/zij/het had gesanctioneerd
wij (we) hadden gesanctioneerd
jullie hadden gesanctioneerd
zij (ze) hadden gesanctioneerd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal sanctioneren
jij (je) zult sanctioneren
hij/zij/het zal sanctioneren
wij (we) zullen sanctioneren
jullie zullen sanctioneren
zij (ze) zullen sanctioneren
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gesanctioneerd hebben
jij (je) zult gesanctioneerd hebben
hij/zij/het zal gesanctioneerd hebben
wij (we) zullen gesanctioneerd hebben
jullie zullen gesanctioneerd hebben
zij (ze) zullen gesanctioneerd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou sanctioneren
jij (je) zou sanctioneren
hij/zij/het zou sanctioneren
wij (we) zouden sanctioneren
jullie zouden sanctioneren
zij (ze) zouden sanctioneren
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gesanctioneerd hebben
jij (je) zou gesanctioneerd hebben
hij/zij/het zou gesanctioneerd hebben
wij (we) zouden gesanctioneerd hebben
jullie zouden gesanctioneerd hebben
zij (ze) zouden gesanctioneerd hebben