ik smeed
jij (je) smeedt
hij/zij/het smeedt
wij (we) smeden
jullie smeden
zij (ze) smeden
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik smeedde
jij (je) smeedde
hij/zij/het smeedde
wij (we) smeedden
jullie smeedden
zij (ze) smeedden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gesmeed
jij (je) hebt gesmeed
hij/zij/het heeft gesmeed
wij (we) hebben gesmeed
jullie hebben gesmeed
zij (ze) hebben gesmeed
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gesmeed
jij (je) had gesmeed
hij/zij/het had gesmeed
wij (we) hadden gesmeed
jullie hadden gesmeed
zij (ze) hadden gesmeed
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal smeden
jij (je) zult smeden
hij/zij/het zal smeden
wij (we) zullen smeden
jullie zullen smeden
zij (ze) zullen smeden
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gesmeed hebben
jij (je) zult gesmeed hebben
hij/zij/het zal gesmeed hebben
wij (we) zullen gesmeed hebben
jullie zullen gesmeed hebben
zij (ze) zullen gesmeed hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou smeden
jij (je) zou smeden
hij/zij/het zou smeden
wij (we) zouden smeden
jullie zouden smeden
zij (ze) zouden smeden
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gesmeed hebben
jij (je) zou gesmeed hebben
hij/zij/het zou gesmeed hebben
wij (we) zouden gesmeed hebben
jullie zouden gesmeed hebben
zij (ze) zouden gesmeed hebben