ik smeer
jij (je) smeert
hij/zij/het smeert
wij (we) smeren
jullie smeren
zij (ze) smeren
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik smeerde
jij (je) smeerde
hij/zij/het smeerde
wij (we) smeerden
jullie smeerden
zij (ze) smeerden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gesmeerd
jij (je) hebt gesmeerd
hij/zij/het heeft gesmeerd
wij (we) hebben gesmeerd
jullie hebben gesmeerd
zij (ze) hebben gesmeerd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gesmeerd
jij (je) had gesmeerd
hij/zij/het had gesmeerd
wij (we) hadden gesmeerd
jullie hadden gesmeerd
zij (ze) hadden gesmeerd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal smeren
jij (je) zult smeren
hij/zij/het zal smeren
wij (we) zullen smeren
jullie zullen smeren
zij (ze) zullen smeren
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gesmeerd hebben
jij (je) zult gesmeerd hebben
hij/zij/het zal gesmeerd hebben
wij (we) zullen gesmeerd hebben
jullie zullen gesmeerd hebben
zij (ze) zullen gesmeerd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou smeren
jij (je) zou smeren
hij/zij/het zou smeren
wij (we) zouden smeren
jullie zouden smeren
zij (ze) zouden smeren
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gesmeerd hebben
jij (je) zou gesmeerd hebben
hij/zij/het zou gesmeerd hebben
wij (we) zouden gesmeerd hebben
jullie zouden gesmeerd hebben
zij (ze) zouden gesmeerd hebben