ik sluip
jij (je) sluipt
hij/zij/het sluipt
wij (we) sluipen
jullie sluipen
zij (ze) sluipen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik sloop
jij (je) sloop
hij/zij/het sloop
wij (we) slopen
jullie slopen
zij (ze) slopen
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb geslopen
jij (je) hebt geslopen
hij/zij/het heeft geslopen
wij (we) hebben geslopen
jullie hebben geslopen
zij (ze) hebben geslopen
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had geslopen
jij (je) had geslopen
hij/zij/het had geslopen
wij (we) hadden geslopen
jullie hadden geslopen
zij (ze) hadden geslopen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal sluipen
jij (je) zult sluipen
hij/zij/het zal sluipen
wij (we) zullen sluipen
jullie zullen sluipen
zij (ze) zullen sluipen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal geslopen hebben
jij (je) zult geslopen hebben
hij/zij/het zal geslopen hebben
wij (we) zullen geslopen hebben
jullie zullen geslopen hebben
zij (ze) zullen geslopen hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou sluipen
jij (je) zou sluipen
hij/zij/het zou sluipen
wij (we) zouden sluipen
jullie zouden sluipen
zij (ze) zouden sluipen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou geslopen hebben
jij (je) zou geslopen hebben
hij/zij/het zou geslopen hebben
wij (we) zouden geslopen hebben
jullie zouden geslopen hebben
zij (ze) zouden geslopen hebben