ik stamel
jij (je) stamelt
hij/zij/het stamelt
wij (we) stamelen
jullie stamelen
zij (ze) stamelen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik stamelde
jij (je) stamelde
hij/zij/het stamelde
wij (we) stamelden
jullie stamelden
zij (ze) stamelden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gestameld
jij (je) hebt gestameld
hij/zij/het heeft gestameld
wij (we) hebben gestameld
jullie hebben gestameld
zij (ze) hebben gestameld
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gestameld
jij (je) had gestameld
hij/zij/het had gestameld
wij (we) hadden gestameld
jullie hadden gestameld
zij (ze) hadden gestameld
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal stamelen
jij (je) zult stamelen
hij/zij/het zal stamelen
wij (we) zullen stamelen
jullie zullen stamelen
zij (ze) zullen stamelen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gestameld hebben
jij (je) zult gestameld hebben
hij/zij/het zal gestameld hebben
wij (we) zullen gestameld hebben
jullie zullen gestameld hebben
zij (ze) zullen gestameld hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou stamelen
jij (je) zou stamelen
hij/zij/het zou stamelen
wij (we) zouden stamelen
jullie zouden stamelen
zij (ze) zouden stamelen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gestameld hebben
jij (je) zou gestameld hebben
hij/zij/het zou gestameld hebben
wij (we) zouden gestameld hebben
jullie zouden gestameld hebben
zij (ze) zouden gestameld hebben