ik daag uit
jij (je) daagt uit
hij/zij/het daagt uit
wij (we) dagen uit
jullie dagen uit
zij (ze) dagen uit
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik daagde uit
jij (je) daagde uit
hij/zij/het daagde uit
wij (we) daagden uit
jullie daagden uit
zij (ze) daagden uit
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb uitgedaagd
jij (je) hebt uitgedaagd
hij/zij/het heeft uitgedaagd
wij (we) hebben uitgedaagd
jullie hebben uitgedaagd
zij (ze) hebben uitgedaagd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had uitgedaagd
jij (je) had uitgedaagd
hij/zij/het had uitgedaagd
wij (we) hadden uitgedaagd
jullie hadden uitgedaagd
zij (ze) hadden uitgedaagd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal uitdagen
jij (je) zult uitdagen
hij/zij/het zal uitdagen
wij (we) zullen uitdagen
jullie zullen uitdagen
zij (ze) zullen uitdagen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal uitgedaagd hebben
jij (je) zult uitgedaagd hebben
hij/zij/het zal uitgedaagd hebben
wij (we) zullen uitgedaagd hebben
jullie zullen uitgedaagd hebben
zij (ze) zullen uitgedaagd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou uitdagen
jij (je) zou uitdagen
hij/zij/het zou uitdagen
wij (we) zouden uitdagen
jullie zouden uitdagen
zij (ze) zouden uitdagen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou uitgedaagd hebben
jij (je) zou uitgedaagd hebben
hij/zij/het zou uitgedaagd hebben
wij (we) zouden uitgedaagd hebben
jullie zouden uitgedaagd hebben
zij (ze) zouden uitgedaagd hebben