ik verdonker
jij (je) verdonkert
hij/zij/het verdonkert
wij (we) verdonkeren
jullie verdonkeren
zij (ze) verdonkeren
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik verdonkerde
jij (je) verdonkerde
hij/zij/het verdonkerde
wij (we) verdonkerden
jullie verdonkerden
zij (ze) verdonkerden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb verdonkerd
jij (je) hebt verdonkerd
hij/zij/het heeft verdonkerd
wij (we) hebben verdonkerd
jullie hebben verdonkerd
zij (ze) hebben verdonkerd
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had verdonkerd
jij (je) had verdonkerd
hij/zij/het had verdonkerd
wij (we) hadden verdonkerd
jullie hadden verdonkerd
zij (ze) hadden verdonkerd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal verdonkeren
jij (je) zult verdonkeren
hij/zij/het zal verdonkeren
wij (we) zullen verdonkeren
jullie zullen verdonkeren
zij (ze) zullen verdonkeren
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal verdonkerd hebben
jij (je) zult verdonkerd hebben
hij/zij/het zal verdonkerd hebben
wij (we) zullen verdonkerd hebben
jullie zullen verdonkerd hebben
zij (ze) zullen verdonkerd hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou verdonkeren
jij (je) zou verdonkeren
hij/zij/het zou verdonkeren
wij (we) zouden verdonkeren
jullie zouden verdonkeren
zij (ze) zouden verdonkeren
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou verdonkerd hebben
jij (je) zou verdonkerd hebben
hij/zij/het zou verdonkerd hebben
wij (we) zouden verdonkerd hebben
jullie zouden verdonkerd hebben
zij (ze) zouden verdonkerd hebben