ik verdraag
jij (je) verdraagt
hij/zij/het verdraagt
wij (we) verdragen
jullie verdragen
zij (ze) verdragen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik verdroeg
jij (je) verdroeg
hij/zij/het verdroeg
wij (we) verdroegen
jullie verdroegen
zij (ze) verdroegen
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb verdragen
jij (je) hebt verdragen
hij/zij/het heeft verdragen
wij (we) hebben verdragen
jullie hebben verdragen
zij (ze) hebben verdragen
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had verdragen
jij (je) had verdragen
hij/zij/het had verdragen
wij (we) hadden verdragen
jullie hadden verdragen
zij (ze) hadden verdragen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal verdragen
jij (je) zult verdragen
hij/zij/het zal verdragen
wij (we) zullen verdragen
jullie zullen verdragen
zij (ze) zullen verdragen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal verdragen hebben
jij (je) zult verdragen hebben
hij/zij/het zal verdragen hebben
wij (we) zullen verdragen hebben
jullie zullen verdragen hebben
zij (ze) zullen verdragen hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou verdragen
jij (je) zou verdragen
hij/zij/het zou verdragen
wij (we) zouden verdragen
jullie zouden verdragen
zij (ze) zouden verdragen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou verdragen hebben
jij (je) zou verdragen hebben
hij/zij/het zou verdragen hebben
wij (we) zouden verdragen hebben
jullie zouden verdragen hebben
zij (ze) zouden verdragen hebben