ik veroordeel
jij (je) veroordeelt
hij/zij/het veroordeelt
wij (we) veroordelen
jullie veroordelen
zij (ze) veroordelen
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik veroordeelde
jij (je) veroordeelde
hij/zij/het veroordeelde
wij (we) veroordeelden
jullie veroordeelden
zij (ze) veroordeelden
voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb veroordeeld
jij (je) hebt veroordeeld
hij/zij/het heeft veroordeeld
wij (we) hebben veroordeeld
jullie hebben veroordeeld
zij (ze) hebben veroordeeld
voltooid verleden tijd (vvt)
ik had veroordeeld
jij (je) had veroordeeld
hij/zij/het had veroordeeld
wij (we) hadden veroordeeld
jullie hadden veroordeeld
zij (ze) hadden veroordeeld
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal veroordelen
jij (je) zult veroordelen
hij/zij/het zal veroordelen
wij (we) zullen veroordelen
jullie zullen veroordelen
zij (ze) zullen veroordelen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal veroordeeld hebben
jij (je) zult veroordeeld hebben
hij/zij/het zal veroordeeld hebben
wij (we) zullen veroordeeld hebben
jullie zullen veroordeeld hebben
zij (ze) zullen veroordeeld hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou veroordelen
jij (je) zou veroordelen
hij/zij/het zou veroordelen
wij (we) zouden veroordelen
jullie zouden veroordelen
zij (ze) zouden veroordelen
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou veroordeeld hebben
jij (je) zou veroordeeld hebben
hij/zij/het zou veroordeeld hebben
wij (we) zouden veroordeeld hebben
jullie zouden veroordeeld hebben
zij (ze) zouden veroordeeld hebben