sınav soruları ve örnekleri

Son güncelleme: 08.11.2010 18:00
#18.05.2010 14:34 0 0 0
  • Arkadaşlar indiremıyebılırsınız yada ındırıpde yazıları okuyamassınız dıye yazıyorum ve işimden fırsat buldukca yazmaya çalısacagım inşallah tabı rabbım ızın verırse herkese basarılar.

    OEFENTOETS 1
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Weet stok vorzichtig.
    2 Mijn mobiel is stuk.
    3 Het geld ligt op tafel.
    4Volgens mij is ze gescheiden.
    5 Die opmerking viel helemaal verkeerd.
    6 Hij heeft verstand van tuinieren
    7 Deze broek staat me niet
    8 Ik heb nooit geld bij me.
    9 Het schilderij hangt in een museum.
    10 De vrouw ruilt haar jurk in voor een andere.
    11Ze heeft in haar nek een afschuwelijk litteken zitten.
    12 Vandaag is het zo warm dat de mussen van het dak vallen.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Welke maand komt na augustus? September
    2 Wat zit in portemonnee? geld
    3 Zijn wielen rond of vierkant? rond
    4 Wat smak zoet suiker of zoud? suiker
    5 Wat doet met een oven? bakken
    6 Wat doe je met een mond? praten of eten
    7Hoe noem je de vader van je moeder? opa/grootvader
    8 Is in de nacht lich of donker? donker
    9Hoeveel centimeter is een meter? honderd
    10Wat ıs groter een boom of een plant? een boom
    11 Hoe noem je de groente verkopt? groenteman of groenteboer
    12Welk seizoen komt na de lente? de zomer
    13 Wat komt er aan de kraan? water
    14 Wat doe je met een vork? eten /prinken.

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Ik wil je even wat vragen.
    2 Ik moet nog snel boodschappen doen.
    3 Ik denk dat we naar rechts kunnen.
    4 Schoonmaken doe ik niet voor mijn lol.
    5Je zou vandaag een jas aan moeten doen.
    6 Kunt u mij vertellen hoe laat het is?
    7 İk hoop niet dat het straks gaat regenen.
    8 Je zou het wat rustiger aan moeten doen.
    9 Ik kom gelukkig nooit te laat op mijn werk.
    10Ik had niets zo laat naar bed moeten gaan.
    11Doe jij de deur op sloot als je straks vertreks?
    12 De chirurg wist na de operatie niet wat hij moest zeggen.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 leeg-----------vol
    2dood----------leven
    3buiten _----------binnen
    4 verboden----------toegestaan
    5 altijd------------nooit
    6 staan----------zitten
    7op ----------onder
    8 Rechts ---------links
    9 niet -----------wel
    10 snel---------langzaam/vlug
    ------------------ORTAKOY/AKSARAY-------------
#21.05.2010 10:01 0 0 0
  • sevgilim arkadaslar ve ortakoy kardes hepinize merhabalar.dun malum hepimizin sıkıntısı olan sınavı bende yasadım ve galiba tokezledim.son 4 aydır bana tavsiye edilen naar nederland ve op weg kitaplarından sadece naar nederlan yani fotolu olanların aynısı cıktı,op weg ile ilgili ne nazegen,ne tegenstelligen ve nede vragen den hicbiri cıkmadı.tabi sınav boyunca ne duyduysam soyledim cumlenin hepsini soyleyemesemde ama yinede bu benim basarılı oldugumu gostermez.sonucu kargoylan gonderecekler bu yuzden p.tesi ye kadar hala bir umut bekliyecegim.sonuc basarısız olursa yine girecez eli mahkum ama bu sefer ortakoyun ve diger arkadasların gonderdigi ders notlarından calısmayı dusunuyorum,malum kurslar her ilde yok ve ben mersinde yasıyorum.ankara ,istanbul ve benzeri buyuk sehirlerde olan bu kurslara gidecek de maddi gucum olmadıgından tek secenek yine kendi basıma calısmak olacak.ortakoy kardesim sana bir sorum olacak;son gonderdigin ders notlarını inceledim hayal meyal cıkan soruların onlara benzediginin farkına vardım.senin kuzen sınava girdi mi_??girmedi ise ne zaman girecek? beni bilgilendirirsen sevinirim cunku bu ders notları ile basarı saglarsa bildiklerimin uzerine bunlarada calısır tekrar sınava girerim..herkese saygılar ve bol basarılar.
#21.05.2010 12:51 0 0 0
  • OEFENTOETS 2
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Pas toch op jerug!
    2 We zitten in de wolken.
    3 hij luistert naar het woord.
    4Dat boek is lekker spannend.
    5We praten erg weining met elkaar.
    6Ze wil gezond en regelmatig leven.
    7Blijf nou toch eens stil zitten.
    8Hij heeft het hart op de tong.
    9Op het balkon staat nog een parasol.
    10 De timmerman meet de lengte van de balk.
    11 Dat hangt onder andere van het weer af.
    12Hij welgert om op anderen een beroep te doen.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1Hoeveel vingers (parmak)heeft een mens? 10 tien vingers
    2Kan een vliegtuig(ucak) vliegen of varen? vliegen
    3 Welke kleur hebben wolken(bulut) ,grijs of blauw? grijs
    4Wat duurt langer(uzun)... een uur of een kwartier? een uur
    5 Is een stoel (sandalye) om op zitten of om op te kijken? zitten
    6Wat is sterker(daha fazla).... wind (rüzgar)of storm(fırtına9? storm(fırtına)
    7 Hoe noem je de zoon van je oom(amca)? een neef(oglan yegen)
    8Hoeveel neuzen(burun) heeft een mens(insan)? één neus
    9 Kun je met een lepel(kaşık) eten of drinken? eten
    10 İs een meisje een man of een vrouw ? een vrouw
    11 Eet je 's ochtends(sabahları) een ontbijt of een lunch? ontbijt
    12 Valt sneeuw(kar) in de zomer of in de winter? winter
    13 Heeft een mens vijf handen of twee handen? twee handen
    14 Kees ıs volwassene en Anne is een kind .... wie is het jongst? Anne

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 je kunt de pot op.
    2 Wij hebben zin in een spelletje.
    3 Hij heeft genoeg van de melk.
    4 Heleen jat iets uit de snoeptrommel.
    5 Ga eens op je hurken zitten.
    6 Geen idee wat dat moet kosten.
    7Hij rent de benen uit zijn lijf.
    8 Wij gunnen ons gewoon de tijd niet.
    9 Hij houdt zijn kleine zusje in de gaten.
    10 Mijn broertje doet voor spek en bonen mee.
    11 Loop me toch niet altijd zo voor de voeten.
    12 Het leren van een nieuwe taal valt niet mee.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 breed smal
    2 scheef recht
    3 gemeen eerlijk
    4 ruw glad
    5 somber vrolijk /blij
    6 samen alleen
    7 sterk slap/zwak
    8 dalen stijgen
    9 maximaal minimaal
    10 onthouden vergeten
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#21.05.2010 12:52 0 0 0
  • OEFENTOETS 3
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Ik ben mijn stem kwijt.
    2Het nummer is in gesprek.
    3Soms zit hetflink tegen.
    4Wat voeren jullie daar uit?
    5Zij heeft de was al gedaan.
    6 We hadden er geen erg in.
    7Mijn dochter is gek op zuurkol.
    8 Hij passeert mij met een rontgang.
    9Het is niet altijd rozengeur en maneschijn.
    10 Die kun je mooi in je zak steken.
    11 je moet niet zo uit je slof schieten
    12 Bij strenge vorst kun je beter een muts op je hoofd zetten.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Kun je kleren wassen of eten? Wassen
    2Als Achmet minder weegt dan Jan ... wie ıs dan het zwaart? Jan
    3 Zit een snor onder de neus of op de kin? neus
    4 Wat doe je in de keuken? koken/eten maken
    5 Is een kast een dier of een meubel? meubel
    6 Hoeveel ogen heeft een mens? twee ogen
    7 Is een appel goed of slecht voor de gezondheid? goed
    8Hoeveel dagen heeft een jaar ? 365
    9 Hoe noem je de man van je zus? zwager
    10 Is een koe een mens of een dier? dier
    11 Doe je een pet op je hoofd of op je arm? hoofd
    12 Het is nu zes uur ... over twee uur is het? acht uur
    13Woord je van veel patat slank of dik? dik
    14 Als je honderd jaar bent ... ben je dan jong of oud? oud
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Ik heb kou gevat.
    2 Mijn vriendin woont om de hoek.
    3 Zit toch niet zo te zeuren.
    4 Hij bidt vijf keer per dag.
    5 Het buurmeisje past op de kinderen.
    6 Ik bestel een blouse op internet.
    7 Ik ben toe aan een flinke borrel.
    8 Weet jıj eigenlijk wat een laptop is?
    9 Deandijvie kost twee euro per kilo.
    10 Volgens mij heeft hij een oogje op je .
    11 De docent dreigde voor de klas in slaap te vallen.
    12 Ik wil de cd hebben , want ik houd van deze zangeres.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 Liefde haat
    2 donker licht
    3 laat vroeg
    4 iedereen niemand
    5 vorige volgende
    6 optimistisch pessimistisch
    7 trouwen scheiden
    8 omhoog omlaag
    9 vast los
    10 aankleden uitkleden
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#26.05.2010 10:34 0 0 0
  • ORTAKÖY SEN SÜPERSİN BEN ÇOK ZÜLÜYORDUM O ÜSSTEKİ LİNKLERİ İNDİREMEDİM DİYE AMA ALLAH SENDEN RAZI OLSUN BİRE SÜRÜ SORU YAZMIŞSIN ALLAH SENİN YOLUNU AÇIK ETSİN ÇOK ÇOK SAOL KARDEŞİM SÜPERSİN
#26.05.2010 13:22 0 0 0
  • BİRDE BUNA BENZER BİRÇOK SORU İSTİYORUZ YUKARIDA OKUDUM HARİKA SORULAR DEVAMINI BEKLİYORUZ
#26.05.2010 13:28 0 0 0
  • olur bacım sız ısteyın ben elımden gelını ve tabı rabbım ızın verdıgı surece yapmaya calışırım, bacım bunları indirip dinlesen daha ıyı olur hem kulak alıskanlıgında olur nasıl ındıremedıgını soyle sana yardımcı olurum
#26.05.2010 14:00 0 0 0
  • OEFENTOETS 4
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Mijn moeder is nogal oud.
    2Kees heeft verstand van computers.
    3 Hij heeft zin in een biertje.
    4İk hou hem goed in de gaten.
    5 Ik heb er nu schoon genoeg van.
    6 Het ergste is wel achter de rug.
    7 Mijn chef is ergers in de zestig.
    8 Zij houdt haar broertje vaao de gek.
    9 Morgen moet hij op voor het examen.
    10 Mijn dochter heeft her fietsen onder de knie.
    11 je kunt hem vandaag beter met rust laten.
    12 het lijkt op echt gras, maar het is kunst.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Schijnt de maan (ay) overdag of 's nachts? 's nachts
    2Wat kun je maken met een kwast... een schilderij of een foto? schilderij
    3 Is een paarse houd fantasie of werkelijkheid? fantasie
    4Wie is er ouder :mijn vader of mijn moeder? mijn vader
    5 Is een muis groot of klein? klein
    6 Hoeveel oren heeft een dag? 24
    7komt er uit de kraan alleen warm water? nee
    8 Hoe noem je iemand die niet kan zien? blind
    9 Is de zon rond of vierkant? rond
    10 Wat duurt langer... een dag of een jaar? jaar
    11 Welk seizoen is warmer... de herfst of de winter? de herfst
    12 Trek ik een jas aan als iknaar buiten ga of als ik naar binnen ga? buiten
    13 Is een broek kleiding of voedsel? kleding
    14 Is moeder een broep? nee

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Zijn oom ligt op sterven.
    2 Het joch was in tranen.
    3 Ik heb genoeg van school.
    4 Zij is zeker van haar zaak.
    5 Ik ben trots op mijn zoon.
    6 Hij heeft geen trek in kaas.
    7 Dat komt mij absoluut niet uit.
    8 Ik maak me zorgen om haar.
    9 We hebben hier geen tijd voor grapjes.
    10 In geval van nood moet je 1-1-2 bellen.
    11 Er loopt een fluitende jongen in de gang.
    12 De kinderen van mijn broer wonen op kamers.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 goedkoop duur
    2 meestal soms/bijna nooit
    3 aandoen uitdoen
    4 voor achter/over/ na/tegen/
    5 lang kort
    6 ergens nergens
    7 later eerder
    8 ophalen wegbrengen
    9 kopen verkopen
    10 alleen samen
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#27.05.2010 13:47 0 0 0
  • OEFENTOETS 5
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Is het kwartje gevallen?
    2 Ben je helemaal gek geworden?
    3 İk geloof mijn ogen niet.
    4 De vakantie is achter de rug.
    5 Kijk eens, wie we daar hebben.
    6 Wie A zegt moet ook B zeggen.
    7 Hij is zo doof als een kwartel.
    8 Je kunt geen ijzer met handen breken.
    9 Die twee werken elke keer weer ruize.
    10 zij gaan de bloemetjes flink buiten zetten.
    11 Mijn zussen praten over koetjes en kalfjes.
    12 Zij zitten met hun handen in het haar.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Waarvoor gebruik je geld... om te bakken of om op te betalen? betalen
    2 Hoe noem je de dochter van je tante? nicht
    3Hoe heet het als je geen haar(saç) op het hoofd hebt? kaal(kel)
    4 Het is vandaag zaterdag...overmorgen is het? maandag
    5 Heeft een paard benen of poten? poten
    6Wat verkoopt een slager? vlees
    7 Wat gebruikt eeen vogel om mee te vliegen? vleugels
    8 Is zondag een werkdag of een vrije dag_? vrije dag
    9Wat doe je meestal met een telefoon? bellen of praten
    10 Welke kleur heeft een aardbei? rood
    11Welk seizoen is het koudst? de winter
    12 Hoeveel wielen heeft een fiets? twee wielen
    13 Wat bakt een bakker? brood
    14 Welke kleur heeft de luchtbij mooi weer? blauw

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Opschieten,tijd is geld!
    2 Die vent stond behoorlijk vaar aap.
    3Hij snapt niet hoe dan kan.
    4Mijn auto is in perfecte staat.
    5 Ik leer Nederlands voor mijn pleizer.
    6 Ik zal het netjes voor u inpakken.
    7 Ze doet het natuurlijk niet voor niks.
    8Er komt nog é (euro)15 kosten bij.
    9 Wij zijn vrienden door dik en dun.
    10 Jullie hebben je vakantie lekker vroeg geboekt.
    11 Het spijt me, İk kan nooit op woensdag.
    12 Dat geintje is ontzettend uit de hand gelopen.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 rechtsaf ------------linksaf
    2 vooruit ==========achteruit
    3 broer ========== zus
    4Tante ========= oom
    5 toenemen=======afnemen
    6 onder ======= boven/op
    7 oorlogszuchtig===== vredelievend
    8 goed ========= foud/slecht
    9 Jongen========== meisje
    10 Dochter ==== zoon
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#27.05.2010 13:48 0 0 0
  • OEFENTOETS 6

    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 De laptop is stuk.
    2 Zij hebben altijd haast.
    3 Pas goed op je broertje.
    4 Raakt u niet in paniek.
    5 Ga je mee naar buiten?
    6 De zon gaat vanavond laat onder.
    7 Tot nu toe heb je niets fout.
    8 Ik hoor de klokken luiden in het dal.
    9 Zoals het klokje thuis tikt,tikt het nergens.
    10 We zwemmen alleen als het water warm is.
    11 Je kunt niet op elke vraag een antwoord verwachten.
    12 Het valt tegenwoordig niet mee om kinderen op te voeden.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 İs een berg hoog of laag? hoog
    2 Als iets kookt is het dan heet of koud? heet
    3 Heeft een vogel vier poten of twee poten? twee poten
    4 Wat is zoeter... jam of kaas? jam
    5 Is een peer fruit of groente ?fruit
    6 Wat is zwaarder...een pond of een ons? een pond
    7 Het is nu vrijdag... eergisteren was het? woensdag
    8Wie legt een ei, een kip of een konijn? een kip
    9 Ben je gezond of ziek als je griep hebt? ziek
    10 Mijn vader is langer dan mijn moeder... wie is het langst? vader
    11 Is leraar een beroep? Ja
    12 Wat is de eerste werkdag van de week? maandag
    13 Welke kleur heeft een banaan? geel
    14 Wanneer kun je schaatsen ,in de zomer of in de winter? in de winter

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Deze winter is het erg koud.
    2 Zijn verjaardag wordt altijd uitgebreid gevierd.
    3Ik fiets elke dag ongeveer een uur.
    4 Op zondag zijn de meeste winkels gesloten.
    5 In de zomer gaan veel mensen op vakantie.
    6 Bij de gemeente kun je je pasaport ophalen.
    7Hij speelt op school altijd in de zandbak.
    8 Het is erg belangrijk om Nederlands te leren.
    9 Ik houd van spelletjes spelen op de computer.
    10 In de heerfst vallen de blaadjes van de bomen.
    11 Als je iets niet weet, dan moet je het vragen.
    12 Om twaalf uur is het tijd om naar huis te gaan.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 hol =========== bol
    2 komen========= gaan
    3 ongeveer============ precies/bijzonder
    4 neef========= nicht
    5 eb========= vloed
    6 mooi========== lelijk
    7 geven====== nemen/krijgen
    8 Vrrag ========antwoord
    9 life========= stout
    10 schoon === vies/vuil
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#27.05.2010 13:49 0 0 0
  • OEFENTOETS 7
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Ik heb zin in thee.
    2 J e moet heel rustig blijven.
    3 Zij wonen liever in een dorp.
    4 Hij trok zijn kletsnatte jas uit.
    5 Ik vind dat je vervelend doet.
    6 Een sjaal doe je om je nek.
    7 Die gordijnen passen niet in de slaapkamer.
    8 Zijn auto moet onmiddelijk naar de garage.
    9Hij houdt niet van dat soort tv programma's.
    10Mijn vader heeft 25 jaar bij dat bedrijf gewerkt.
    11 Ben je ooit bij een concert van de Stones geweest?
    12 ık ben niet van plan om te stoppen met leren.

    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Is januari een seizoen of een maand? maand
    2 Is een tante een mens of een dier? een mens
    3 Wat is zoeter... melk of limonade? limonade
    4 Hoeveel seizoenen heeft een jaar? vier seizoenen
    5 Heeft de mens een lichaam? ja
    6 Waar vind je kamers... in een huis of in een auto? in een huis
    7 Wat is duurder ... een trui van é (euro) 5 of een trui van é 30? trui van é 30
    8 Wat is de vierde maand van het jaar? april
    9 Waar vind je een oven... in de keuken of in de woonkamer? in de keuken
    10 Wat dragen veel mensen om hun linkerpols? horloge
    11 Waarmee kun je beter kijken ... met een bril of met een pet? bril
    12 Als ik doof ben , kan ik dan niet zien of niet horen? niet horen
    13 Wat is groter ... een eekhoorn of een kikker? eekhoorn
    14 Hoeveel vingers heeft een hand? vijf

    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 De auto remde plotseling.
    2 Hij heeft liever een biertje.
    3 Spreken is zilver, zwijgen is goud.
    4 Mijn vrouw en ik wandelen graag.
    5Het is maar hoe je het bekijkt.
    6 Iemand die veel geld heeft, is rijk.
    7 Wat is er met je aan de hand?
    8 Ik ben beter in wiskunde dan in taal.
    9 De jongen schopt de bal in het doel.
    10 Die vier broers wonen samen onder één dak.
    11 Er is geen postkantoor bij mij in de buurt.
    12 Het lijkt wel of het in Nederland altijd slecht weer is.

    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 meer ========= minder
    2 veel===== weinig
    3eerste ====== laatste
    4 langzaam ========= snel/vlug
    5 praten ======== zwijgen
    6 winnen ======= verliezen
    7 vriend=========vijand
    8 hoog==========laag
    9 nooit===========altijd
    10 vergeten======== onthouden
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#27.05.2010 13:50 0 0 0
  • OEFENTOETS 8
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Het lijkt wel zomer.
    2 Een papegaai houdt van nazeggen.
    3 Nou moet je eens goed luisteren...
    4 Die niet waagt die niet wint.
    5 Uit eten gaan kost nogal wat.
    6 Een hond moet je elke dag uitlaten.
    7 Het zou fantastisch zijn, als je meegaat.
    8 Ik werk met vijftig man op één afdeling.
    9 Op de basisschool zitten kinderen tot twaalf jaar.
    10 Een goede buur is beter dan een verre vriend.
    11 De kinderen willen altijd graag op het dorpsplein spelen.
    12 Als je er niets van weet, kun je beter mond houden.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Wat doe je in een bed... slapen of koken? slapen
    2 Hoeveel zijden heeft een driehoek? drie
    3 Hoe smaakt suiker .... zoet of zuur? zoet
    4 Hoe noem je het geluid dat een varken(domuz) maakt? knorren
    5 Welk getal komt na negentien? twintig
    6 Welke kleur heeft bloed? rood
    7 Is je nichtje een jongen of een meisje? meisje
    8 Kun je koek eten of drinken? eten
    9 Is een gezicht vierkant of rond? rond
    10 Wat is sneller... een trein of een scooter? trein
    11 Welke maand komt na mei? juni
    12 Staat een fornuis in de keuken of in de schuur? keuken
    13 Is ijs warm of koud? koud
    14 Woordt iets duurder als er korting op zit? nee
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Wil je dit pakje versturen?
    2 Ze woont in een verzorgingsflat.
    3 Hij keek wel op zijn neus.
    4Daarvoor moet je op het pastkantoor zijn.
    5 Vandaag heb ik anderhalve kılo peren gekocht.
    6 Je moet je eerst aanmelden via internet.
    7Alle kleine jongetjes willen graag bij de brandweer.
    8 Ik ga uit in het centrum van de stad.
    9 Die vind ik in de supermarkt veel te duur.
    10 Dat is heel wat sneller dan met de auto.
    11 Naar welke school gaat uw kind na de bassischool?
    12 Ik ben met mijn neefje in de tuin aan het spelen.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 Traag=========== snel/ vlug
    2 Eerlijk========= vals/gemeen/oneerlijk
    3 vrede======== oorlog
    4 niemand=== iemand/iedereen
    5 straf === beloning
    6 vrolijk=== somber/verdrietig
    7stijgen = = = dalen
    8 los = = = vals
    9 makkelijk=== moeilijk
    10 haten=== liefhebben/houden van
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:40 0 0 0
  • OEFENTOETS 9
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Het vriest vannasch matig.
    2 Ik ga lopent naar de bakker.
    3 U kunt telefonisch een afspraak maken.
    4 Die twee meiden doen dezelfde studie.
    5 Het parlement neemt vandaag een beslissing.
    6 Je kunt hier verschillende opleidingen volgen.
    7Een zoon woont nog bij ons thuis.
    8 İk neem een aspirine tegen de hoofdpijn.
    9 Loop me tocht niet zo voor de voeten.
    10 Wij hebben flink met die tas lopen sjouwen.
    11 In het weekend zijn de meeste mensen vrij.
    12 De huisarts heeft elke dag tot tien uur spreekuur.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Waarme sneeuw het het meest... in de winter of in de lente? in de winter
    2 Wat doe je uit een glas... eten of drinken? drinken
    3Als je arm bent.. hab je dan veel geld of weining geld? weining
    4 Wat doe je met een nagelschaar? nagels knippen
    5 Is een bloemkool groente of fruit? groente
    6 Zijn schoenen om op te lopen of om op te drinken? lopen
    7 Wat is later... twaalf uur of half elf? twaalf uur
    8 Welke jaargetijde komt er na de zomer? de herfst
    9 Welke dieren leggen eieren... zoogdier of vogels? vogels
    10 Is een stier mannelijk of vrouwenlijk? mannelijk
    11 Wat doet een schilder? schilderen/verven
    12Woon je onder een dak of op een koffer? dak
    13 Kun je met een auto rijden of vliegen? rijden
    14 Wat is kleiner... een lamp of een diepvrieskist? lamp
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Ben je soms gek geworden?
    2 We delen onze keuken en badkamer.
    3 Op mijn school zitten duizend leerlingen.
    4Ik heb er geen snars van begrepen.
    5 Wat was het resultaat van zijn toets?
    6 Koop je daar ook kleren en schoenen.?
    7 Ik heb het formuller op internet ingevuld.
    8 Op zaterdag gaan we altijd naar de markt.
    9 Schrijf u hier alstublieft uw persoonlijke gegevens op
    10 Bij dat warenhuis zijn de gekste dingen te koop.
    11 Als ik zware dingen koop, neem ik liever de bus.
    12 Veel meer moeders dan vaders brengen de kinderen naar school.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 Kapot = = = heel
    2 verliezen = = = winnen
    3 omlaag = = = omhoog
    4 bloot = = = gekleed
    5 İnstappen = = = uitstappen
    6 mals = = = taai
    7 stout = = = lief/braaf
    8 slapen = = = wakker zijn
    9 uit = = = aan / in
    10 speciaal = = = gewoon
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:41 0 0 0
  • OEFENTOETS 10
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Vijf militaien raakten gewond.
    2 Op het strand was het druk.
    3 Onze dochter is vorige maand getrouwd.
    4 Er is geen bal op de tv.
    5 U krijgt over een paar dagen bericht.
    6 Kaartjeskun je kopen bij de automaat.
    7 De jongste kinderen zitten in groep een.
    8 Nou zeg... jıj bent in een sportieve buil.
    9 Je moet het papier in de map sloppen.
    10 Voor postzegels moet je naar het postkantoor gaan.
    11 Kip met appelmoes... daar houd ik helemaal niet van.
    12 Mijn oma is wel tien jaar ouder dan mijn opa.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Wat is zuurder... een citroen of een peer? citroen
    2 Kun je schaatsen bij koud weer of bij warm weer? koud weer
    3Hoeveel dagen heeft een week? zeven
    4 Op welke datum is het nieuwjaarsdag? 1 januari
    5 Welke kleur heeft een tomaat? rood
    6 Kan een paard hinniken of blaffen? hinniken
    7 Als je een grroot gezin hebt,heb je dan veel of weinig kinderen? veel
    8 Is een kerk een gebouw of een plant? gebouw
    9 Wat doet een vis... zwemmen of sluipen? zwemmen
    10 Wat doe je met een weegschaal? wegen
    11 Is een kater een mannetje of vrouwetje? mannetje
    12 Hoeveel seconden heeft een minuut ? zestig
    13 Als het mistig is, heb je dan goed zicht of slecht zicht? slecht zicht
    14 Waar haal je medicijnen ... bij de apotheek of bij de postkantoor? bij de apotheek
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Controleer even je mail.
    2 De koffie staat op het aanrecht.
    3Er kwam iemand voor een collecte.
    4 Heb je vanavond het nieuws gezien?
    5 Steeds vaker betalen mensen via internet.
    6 Op tafel ligt nog wel een pen.
    7 Je kunt best met de fiets gaan.
    8 Mijn zusje van zeven kan nog niet lezen.
    9 Een vlak land is een land zonder bergen.
    10 Ik heb in de uitverkoop een broek gekocht.
    11 Ik werk per dag acht uur, vijf dagen per week.
    12 Groningen is een grote stad in het noorden van het land.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 jong oud
    2 aankomst vertrek
    3 inpakken uitpakken
    4 zonnig bewolkt
    5 laatst eerst
    6 aanwezig afwezig
    7 goedkleuren afkleuren
    8 pech geluk
    9 lichamelijk geestelijk
    10 stilte lawai
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:41 0 0 0
  • OEFENTOETS 11
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Ik heb er tabak van.
    2 Ik houd hem in de gaten.
    3De oplader ligt in de la.
    4 De arts zal u even onder zoeken.
    5 Kleine dingen betaal je meestal contant.
    6 Er staat een paard in de wei.
    7Het ergste is nu achter de rug.
    8 Morgen moet hij op voor het examen.
    9Mijn partner is vandaag vijftig jaar geworden.
    10 Wij werken de hele dag in die herrie.
    11 Hij heeft nu echt wel genoeg liggen slapen.
    12 Het duurde uren, voordat de file opgelost was.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1Wat is koud... water of vuur? water
    2 Wat doe je meestal op een stoel? zitten
    3 Hoeveel kwartier heeft een uur? vier kwarter
    4 Is een klamp(kelepçe) een beroep of een ding? een ding
    5 Hoe noem je het geduid dat een hond maakt? balffen /geblaf
    6 Wie is jonger ... een peuten(cocuk) of een puber(ergen)? peuter
    7 Is een trui kleding of voedsel? kleding
    8 Welke kleur heeft een olifant? grijs
    9 Waarop zie je hoe laat het is... op een horloge of op een stok? horloge
    10 Wat vliegt er door de lucht ... een vogel of een boom ? vogel
    11 Gebruikt een schilder een kwast of een hark? een kwast
    12 Is een cd rond of vierkant? rond
    13 Waaree kun je schrijven... met een potlood of met een stekker? potlood
    14 Wat doe je met speelgoed? spelen
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Hij is flink verkouden.
    2 Dat ziet er slecht uit.
    3 Sorry, ik heb geen idee.
    4 Zij Houdt hem voor de gek.
    5 İk ben klaar met mijn werk.
    6 Hij hoest de longen uit zijn lijf.
    7 Ik ben aardıg zeker van mijn zaak.
    8 Zij is ontzettend trots op haar zoon.
    9 Ik heb nu even geen tijd voor grapjes.
    10 Dit boek is veel spannender dan de krant.
    11 Verhuizen is voor veel mensen een bron van stress.
    12 Mijn zoontje moest hard huilen, omdat hij zijn knuffel kwijt was.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 Hemel hel /aarde
    2 plus min
    3 zwart wit
    4 krap ruim
    5 saai spannend/hoeiend
    6 later eerder/vroeger
    7 voorop achterop
    8 ziek gezond/beter
    9 beginnen ophouden/eindigen
    10 voordat nadat
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:42 0 0 0
  • OEFENTOETS 12
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA
    1 Hij zit op rozen.
    2 Het liep verkeerd af.
    3 Mijn verstandskies is vanmorgen getrokken.
    4 Heb ik iets van je aan?
    5 Ik raad naar het goede antwoord.
    6 Kijk eens even hoe laat het is.
    7 Ik ga twee keer per week zwemmen.
    8 We zouden naar de bioscoop kunnen gaan.
    9 Die onderneming is een enorme strop geworden.
    10Je kunt beter niet naar het strand gaan.
    11 In het weekend zetten ze het op een zuipen.
    12 Voor je het weet, is de vakantie achter de rug.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1Hoeveel benen heeft een mens? twee benen
    2 Welk dier heeft een slurf? olifant
    3 Welke dagen vallen in het weekend? zaterdag+zondag
    4 Waarvoor gebruik je een pen? schrijven
    5 Hoe noem je iemand die uit Nederland komt? Nederlander
    6 Het is nu woensdag... gisteren was het? dinsdag
    7 Welke kleur heeft melk? wit
    8 Welk seizoen is het warmst? zomer
    9 Hoeveel wielen heeft een schooter? twee wielen
    10 Hoe heet iemand die auto's repareert? automonteur
    11 Hoeveel minuten zitten er in een uur? 60 zestig
    12 Waarmee kun je vla eten... met een lepel of met een mes? lepel
    13 Wie werkt op de boerderij? boer/boerin
    14 Welke kleur heeft een ananas? geel
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1De hond kan hard blaffen.
    2 Hij houdt alles voor zich.
    3 Hij heeft het helemaal gehad.
    4 Wie is er aan de beurt?
    5 Soory, ik kan nooit op dinsdag.
    6 Volgens mij heb je groot gelijk.
    7 Zij zijn vrieden voor het leven.
    8 Ik heb vannacht bijna niet geslapen.
    9 Ik doe er wel een paplertje om.
    10 Hij wil er wel mee verdienen.
    11 De meeste telefoons hebben tegenwoordig ook een camera.
    12 Als iedereen een beetje doorwerkt,is het karwei in een mum geklaard.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 moeder vader
    2 stroef glad
    3 zwaar licht
    4 bezet vrij
    5 verschijnen verdwijnen
    6 trekken duwen
    7 slot begin
    8 vertrouwen wantrouwen
    9 slagen zakken
    10 boven onder/beneden
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:43 0 0 0
  • OEFENTOETS 13
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Het tocht hier.
    2 Hoe kan dat nou?
    3Ik mis vaak een sok.
    4 Pas goed op je zusje.
    5 Waar is dat nou weer goed voor?
    6 Ga je straks even mee naar buiten.
    7Tijdens de storm is de boom ontworteld.
    8 Aan strijken heeft ze een enorme hekel.
    9 Wat is er met je aan de hand?
    10Je moet kloppen,voordat je naar binnen gaat.
    11 Die twee zoeken voor de zoveelste keer ruize met elkaar.
    12 Bij de ingang van de school is de kamer van de directeur.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1Wat is lichter... een ons of een kilo? een ons
    2 Hoe noem je de moeder van je moeder? oma /grootmoeder
    3 Wat is de laatste maand van het jaar? december
    4Kun je rijst eten of drinken? eten
    5 Hoe noem je het gebouw waar je films kunt bekijken? bioscoop
    6 Als ik vrolijk ben... ga ik dan lachen of huilen? lachen
    7 Wat is eerder... zes uur of half zeven? zes uur
    8 Wat is gezonder... snoep of fruit? fruit
    9 Is een werkloze iemand zonder werk? ja
    10 Het is nu vrijdag... eergisteren was het...? woensdag
    11 Welke kleur heeft een ijsbeer? wit
    12 Wat doe je met een nietmachine? nieten
    13 Hoe heet de woning van een koning? paleis
    14 Een paar sokken ...hoeveelsokken zijn dat precies? twee
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Doe de deur dicht!
    2 Dat zie je verkeerd.
    3 Je moet naar deze bladzijde kijken.
    4 Ik moet elke dag een uur fietsen.
    5 Een ongeluk zit in een klein hoekje.
    6 Je moet wel even de wc doortrekken.
    7 Afgelopen winter is het erg koud geweest.
    8 We zijn naar een te gek concert geweest.
    9 In de zomer gaan veel mensen op vakantie.
    10 De leerlingen lachen om de grap van de leraar.
    11 Als je iets niet weet, dan moet je het vragen.
    12 Ze gaan met de hele familie met het vliegtuig naar Canada.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 knap lelijk/dom
    2 slordig netjes/precies
    3 Probleem oplossing
    4 rustig druk
    5positief negatief
    6 breken maken
    7 blij verdrietig/somber
    8 nauw breed/wijd
    9 start finish/einde
    10 roekeloos voorzichtig/oplettend
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:44 0 0 0
  • OEFENTOETS 14
    A NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.zEG DE ZİN PRECİES NA.
    1 Waar kijk je toch naar?
    2 Ik heb trek in een loempla.
    3We kijken uit naar de vakantie.
    4 Dat schilderij herinert mij aan vroeger.
    5 Mijn moeder houdt veel van bloemen.
    6 Zij heeft veel invloed op haar vriendin.
    7 Zullen we samen naar de bioscoop gaan?
    8 Je vriend moet je altijd kunnen vertrouwen.
    9 Je moet je niet met die jongen inlaten.
    10 Op de fiets moet je uitkijken voor auto's.
    11 Het meisje was trots op haar nieuwe schoenen.
    12 De rijke man deed zich voor als een bedelaar.
    B KORTE VRAGEN
    U HOORT STEEDS EEN KORTE VRAAG.GEEF OP ELKE VRAAG EEN KORT ANWOORDT.
    1 Is een sinaasappel paars of oranje? oranje
    2 Kruipen... is dat snel of langzaam? langzaam
    3 Heeft een auto twee wielen of vier wielen? vier
    4 Wat is harder ... schreeuwen of fluisteren? schreeuwen
    5 Heeft een leeuw benen of poten? poten
    6 Is een vlo(pire) groot of klein? klein
    7Is sporten gezond of ongezond? gezond
    8 Welk getal is groter...55 of 65? 65
    9 Kun je met een neus ruiken of zien? ruiken
    10 Hoe noemen grootouders de kinderen van hun kinderen? kleinkinderen
    11 İs de herfst kouder dan de zomer? ja
    12 Wat is gezonder ...patat of een peer? een peer
    13 Wat geeft een koe? melk
    14 Kun je met een potlood scrijven of schillen? scrijven
    C NAZEGGEN
    U HOORT STEEDS EEN ZİN.ZEG DE ZİN PRECİES NA.
    1Die jongens hebben ons bestolen.
    2 Veel mensen vluchten voor oorlogsgeweld.
    3 Mijn vriend is gek op speelfilms.
    4 De regering heeft de uitkeringen verhoogd.
    5 Onze flat kijkt uit op de markt.
    6 Ik ben niet tevreden met dit cijfer.
    7Sarah is blij met haar goede rapport.
    8 Sommige mensen keuren dat gedrag niet goed.
    9 Die twee landen hebben tegen elkaar gevochten.
    10 Ik twijfel aan de waarheid van dit verhaal.
    11 Ik ben bezig met het verven van mijn schuur.
    12 Zijn vrouw had liever een huis buiten de stad.
    D TEGENSTELLİNGEN
    U HOORT STEEDS EEN WOORD .U ZEGT HET TEGENOVERGESTELDE.
    1 Dag nacht
    2 modern ouderwest
    3 honger dorst
    4 voorjaar najaar
    5 aannemen toenemen/ontslaan
    6 winst verlies
    7 normaal gek/apnormaal/vreemd
    8 Groeien krimpen
    9 opa oma
    10 soepel stug
    DİT WAS DE TOETS.DE TOETS İS NU KLAAR.
#29.05.2010 14:45 0 0 0