examen 8
Zinnen
1. Ik moet een nieuwe bril.
2. Daar heb ik nog nooit van gehoord.
3. Twee is teveel
4. Heb je een pen bij je ?
5. het moet in januari klaar zijn
6. we gaan daar de volgende les mee verder
7. Dat was een pijnlijke vergissing
8. Als ze tenminste op tijd zijn
9. Hij gaat ieder weekend vissen.
Vragen
1. Welke kleur heeft de lucht ?BLAUW
2. Als iets kookt, is het dan heet of koud ?HEET
3. Hoeveel zijden heeft een driehoek ?DRİE
4. Kun je melk eten of drinken ?DRİNKEN
5. Wat komt er na acht ?NEGEN
6. Is je broer een man of een vrouw ?EEN MAN
7. Als iets eenvoudig is, is het dan makkelijk of moeilijk ?MAKKELİJK
8. Welke maand komt er voor April ?MAART
9. Wat doe je met een lepel ?ETEN
10. Wat is groter een muis of een konijn ?EEN KONİJN
11. Wat doe je in een bed ?SLAPEN
12. Hoe smaakt suiker ?ZOET
13. Fiets je op een rivier of op een pad ?EEN PAD
14. 1 Uur, hoeveel kwartier is dat ?VİER
Zinnen
1. De aardappels zijn op
2. Als we tenminste op tijd zijn.
3. Ik weet niet hoe dat kon gebeuren.
4. Hij moet het wat rustiger aan gaan doen.
5. Kan dat niet wat sneller.
6. Kunt u mij vertellen hoe laat het is.
7. Nee hè, daar gaan we weer.
8. U gaat bij de volgende stoplichten linksaf
9. Ik moet nog even boodschappen doen.
10. Doe je het licht uit als je weggaat ?
11. Ik hoop niet dat het straks gaat regenen.
12. Ga je mee ?
13. Wie is er aan de beurt ?
14. Kunt u wat langzamer praten ?
Tegenstellingen
1. Leeg - Vol
2. Soms - Altijd
3. Geven - Nemen
4. Niets - Alles
5. Dood - Levend
6. Vlug - Langzaam
7. Winter - zomer
8. Onthouden - vergeten
9. Nep -Echt
Verhalen
Vincent wil niet naar school. Maar.., school is belangrijk als je
goed werk wilt vinden of geld wilt verdienen.
Z'n vader zegt: 'het is toch leuk om al je vriendjes te zien op school'.
Maar Vincent wil geen geld verdienen, en hij heeft niet zoveel vriendjes.
Hij gaat naar de haven om naar de boten te kijken.
Hij droomt van verre landen.
——————————-
Renate is bang voor vliegtuigen, ze durft niet te vliegen.
Ze is zelfs bang voor een vliegtuig dat over komt vliegen.
Haar moeder vertelt dat Renate, toen ze klein was, ook al bang was voor vliegtuigen.
Als er een vliegtuig over kwam vliegen dook ze altijd onder de tafel of onder een stoel.
examen 7
Zinnen
1. Kan je iets meer over jezelf vertellen ?
2. Het boek is nog niet uit.
3. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
4. Dat kan wel kloppen.
5. De vogel blijft op een hoge tak zitten.
6. Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk.
7. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
8. Kunt u op een andere dag niet terugkomen ?
9. Vandaag is het een mooie dag.
Vragen
1. Kan je met een boot varen of vliegen ?VAREN
2. Welke maand komt voor december?NOVEMBER
3. Is een pannekoek rond of vierkant?ROND
4. Als je rijk bent heb je dan veel of weinig geld ?VEEL GELD
5. Welke kleur heeft een aardbei?ROOD
6. Hoeveel wieken heeft een molen?VİER
7. Heeft een verkeerslicht drie of zes kleuren ?DRİE kleuren
8. Is een toren laag of hoog?HOOG
9. Wat doe je met een handdoek?WİSSEN
10. Wat doe je buiten aan als het koud is?EEN JAS
11. Is een bloemkool groente of fruit ?GROENTE
Zinnen
1. Ik schaamde me toen ik het antwoord niet wist
2. Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.
3. Zijn er echt geen andere mogelijkheden ?
4. Zou u hier even willen wachten ?
5. Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.
6. Heeft u terug van vijftig euro?
7. Dat kun je op je vingers natellen.
8. We zien geen oplossing voor uw probleem.
9. Waar heb je het in hemelsnaam over ?
10. Je zou eens beter op je woorden moeten letten.
11. Dat stond in de krant van gisteren.
12. Hij heeft weinig vrienden op school.
13. Volgende keer nemen we een paraplu mee.
14. Ik woon samen met mijn vriend
Tegenstellingen
1. bijzonder - gewoon
2. expres - per ongeluk
3. goedkoop - duur
4. lelijk - mooi
5. dames - heren
6. ouders - kinderen
7. aankleden - uitkleden
8. boven - onder
9. vriezen - dooien
Verhalen
Mooie mensen vinden sneller een baan. Dat vindt ruim 85 procent van de Nederlanders, zo
blijkt uit onderzoek van de online banensite onder 821 deelnemers. De resultaten zijn
donderdag naar buiten gebracht.
———————————————-
Nederlanders hebben het idee dat mooie mensen worden voorgetrokken bij het solliciteren.
Eén typefoutje kan grote gevolgen hebben. Alle nieuwe bankbiljetten van het land Kazachstan
zijn verkeerd gedrukt.
Op de nieuwe bankbiljetten van Kazachstan blijkt een grote spelfout te staan. Het woord 'bank'
is verkeerd geschreven. De centrale bank van Kazachstan wil het geld niet vernietigen. De
bank wil het geld eerst in gebruik nemen en later weer inzamelen.
examen 6
Zinnen
1. Mag ik me even voorstellen ?
2. Waar denk je aan /
3. Ik ga naar Nederland.
4. Hoe laat is het?
5. Wat is uw adres?
6. Hij heeft weinig vrienden op school.
7. Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.
8. Kun je me dat nog eens uitleggen ?
9. Zwemmen in de Noordzee is lekker fris.
Vragen
1. Is water uit een sloot gezond?Nee
2. Welk dier legt eieren?KİP
3. Welke dag komt voor zondag?VRİJDAG
4. Is je moeder een man of een vrouw?EEN VROUW
5. Waar woont u? ik woon in TÜRKİJE
6. Hoeveel wielen heeft een auto?VİER
7. Welke maand komt voor december?NOVEMBER
8. Wat is zwaarder, een kilo of een ons?EEN KİLO
9. Wat doen kinderen op school ?ONDERWİJS
10. Kan je met een boot varen of vliegen ?VAREN
11. Wat is meer, vijf euro of twee euro?VİJF EURO
12. Is een bloemkool groente of fruit ?GROENTE
13. Waar koop je kleren?WİNKEL
14. Wat doe je in je portemonnee?GELD
Zinnen
1. Is het goed als ik wat later kom ?
2. Ik moet plassen.
3. Volgende week gaan we met vakantie.
4. Mag ik van u een bos tulpen ?
5. Ik vind dit geen goed boek.
6. Zou u me even willen helpen ?
7. We hebben om 8 uur afgesproken.
8. Ik heb niets bijzonders bij me.
9. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
10. Ik ben blij dat het erop zit.
11. Ik ben mijn portemonnee verloren.
12. Hoe laat vertrekt de trein naar Amsterdam ?
13. Dat kun je op je vingers natellen.
14. We zien geen oplossing voor uw probleem.
Tegenstellingen
1. beter - slechter
2. eerlijk - oneerlijk
3. stoppen - doorgaan
4. eten - drinken
5. Water - Vuur
6. overwinning - nederlaag
7. lengte - breedte
8. Herfst - Lente
9. vorige - volgende
10.goedkoep - duur
verhalen
In de herfst kan het hard waaien en dat is vervelend als je met een paraplu loopt. Drie studenten
uit Delft hebben nu een paraplu gemaakt die tegen storm kan.
De paraplu heet 'SENZ Umbrella' en ziet er heel hip uit. Je hoeft ook niet meer bang te zijn dat
de paraplu in je ogen prikt, want de uiteinden van de 'SENZ Umbrella' zijn beveiligd.
————————————————-
Een babysitter uit Californië is erg dom geweest. Op haar eerste dag op het werk heeft ze het
verkeerde kind van school meegenomen. Ze merkte haar fout pas toen de ouders thuiskwamen
en haar zegen met een onbekend kind.
De familie van het kind wat de babysitter had meegenomen waren ondertussen in paniek
geraakt en hadden de politie gebeld.
Het kind wat niet werd opgehaald moest uren op school wachten.
examen 5
Zinnen
1. Vind jij die jongens ook niet lastig ?
2. Naar wie waren zij aan het luisteren?
3. Het is niet helemaal gegaan zoals we bedoeld hadden.
4. Hij is een beetje dom geweest.
5. Hij heeft mijn fiets geleend
6. We krijgen maar weinig klachten.
7. Wat is je voornaam?
8. Ik vindt dat een leuk meisje.
9. Kijk nou toch eens uit wat je doet.
Vragen
1. Wat doe je met een vork?ETEN
2. Wat zwemt in water, een vis of een kip?EEN VİS
3. Is een auto om in te rijden, of om te koken ?RİJDEN
4. Is een kerk een gebouw of poort ?EEN GEBOUW
5. Als je een groot gezin hebt, heb je dan veel of weinig kinderen ?VEEL kinderen
6. Als iets ingewikkeld is is het dan makkelijk of moeilijk ?MOEİLİJK
7. Hoeveel maanden heeft een jaar?TWAALF maanden
8. Regen, is dat nat of droog?NAT
9. Hoeveel hoeken heeft een vijfhoek?Vijf
10. Wie zorgt voor de molen?MİLLEN degirmenci
11. Wat maak je met een fototoestel?FOTO MAKEN
12. Welke kleur heeft gras?GROEN
13. Is een dijk hoog of laag?HOOG
14. Wat heb je nodig om te strijken? STRİJKİJZER ütü
Zinnen
1. Dat kun je op je vingers natellen.
2. We zien geen oplossing voor uw probleem.
3. Kan je me die schroevendraaier even aangeven.
4. Welke taart zou je willen hebben?
5. Zijn er echt geen andere mogelijkheden ?
6. Ik vind het leuk met mensen om te gaan.
7. Waren er veel mensen op de vergadering?
8. Kan er iemand een dokter bellen ?
9. Hij had beter moeten weten.
10. Zij zullen hard moeten werken.
11. Dat kan wel kloppen.
12. Ik woon samen met mijn vriend
13. Uit welk land komt u?
14. Kan ik voor morgen een tafel reserveren ?
Tegenstellingen
1. Broer-zus
2. vriend - vijand
3. optellen - aftrekken
4. delen - vermenigvuldigen
5. lawaai - stilte
6. Zon - maan
7. Dorp - stad
8. vet - mager
9. schoon - vuil
verhalen
De Chinese universiteit Xiamen verplicht zijn studenten bedrijfskunde, economie, informatica
en rechten om golflessen te nemen. De universiteit vindt dat golfen als belangrijk is voor succes
in de zakenwereld.
In China is een debat ontstaan over de vraag of het wel gepast is voor Chinezen om een elitair
spel als golf te spelen, omdat een groot deel van hen nog in armoede leeft.
——————————————————
Een 20-jarige inwoner uit Tiel is woensdagnacht gearresteerd na een inbraak in een woning.
De bewoner hoorde een harde klap, gevolgd door pianospel. Toen hij ging kijken, trof hij een
rommel aan in zijn woonkamer en een man die piano speelde. Dat meldt de politie donderdag.
De dief had spullen van de bewonen in zijn zaken gedaan.
De volgende ochtend vertelde de dief dat hij zich niets meer kon herrineren omdat hij teveel
gedronken had.
examen 4
Zinnen
1. Ik heb een nieuwe fiets en een oude
2. Heb je een pen bij je?
3. Bent u getrouwd?
4. Zou je dat wel willen ?
5. Hoe kon dat zo gebeuren?
6. Ik denk dat het bijna twaalf uur is.
7. Pas op! Voorzichtig!
8. Zij kunnen heel goed zwemmen.
9. Hoe zag hij eruit?
Vragen
1. Welke maand komt na januari?FEBRUARİ
2. Wat doe je in je portemonnee?GELD
3. Zijn wielen rond of vierkant?ROND
4. Wat is zoet, suiker of zout?SUİKER
5. Wat doe je met een oven?BAKKEN
6. Wat doe je met je mond?PRATEN
7. Hoe noem je de vader van je moeder?OPA
8. Is het in de nacht licht of donker? DONKER
9. Hoeveel centimeter is een meter?HONDERD
10. Hoe heet een weg boven de rivier?BRUG_köprü
11. Wat is groter, een boom of een plant? een BOOM
12. Wat doe je met een schaar?KNİPPEN
13. Slapen doe je in een BED
Zinnen
1. Wat voor mensen doen zulke dingen?
2. Deze korte broek past niet,
3. Ze had een erg litteken op haar gezicht.
4. Waar zijn we gebleven?
5. Het gebeurde tien jaar geleden.
6. Ik schaamde me zo toen ik het antwoord niet wist.
7. De school begint altijd om 8 uur.
8. Ze zouden een paraplu hebben moeten meenemen.
9. Ik had niet zo laat naar bed moeten gaan.
10. Ik was vaak te laat op mijn werk.
11. Mag ik u enkele vragen stellen?
12. We moeten het wat rustiger aan gaan doen.
13. Ik weet het niet.
14. Welke kant gaan we op vanaf hier?
Tegenstellingen
1. even - oneven
2. hard - zacht
3. kopen - verkopen
4. verdrietig - blij
5. Oma - opa
6. licht - zwaar
7. nu - straks
8. ziek - gezond
9. lengte - breedte
verhalen
Nederland is derde geworden bij een internationale intelligentietest zaterdagavond op de
Duitse televisie. De winnaar was Zwitserland gevolgd door Polen. Nederland was favoriet
omdat het eerder bij de scholieren als beste uit de bus kwam.
——————————————————
De Amerikaanse president George Bush is woensdag van zijn fiets gevallen, na een botsing met
een politieagent. De weg waarop het ongeluk plaatsvond was glad vanwege de lichte regen.
Bush kwam er vanaf met schaafwonden op zijn handen en armen en kon het programma van de
G8-top gewoon blijven volgen.
examen 3
Zinnen
1. Hallo! Hoe gaat het met je ?
2. U moet hier wachten.
3. Het boek is nog niet uit.
4. Dit is twee euro teveel.
5. Ik heb twee koffers.
6. Mijn broer doet gewoonlijk de afwas
7. Kan je iets meer over jezelf vertellen ?
8. Ik ben iemand die snel kan beslissen
9. De vogel blijft op een hoge tak zitten.
Vragen
1. Wat is minder, twintig euro of vijftien euro? viftien euro
2. Wat doe je buiten aan als het koud is?een jas
3. Welke kleur heeft een tomaat?rood
4. Wat doe je met een pen?schrijven
5. Wat is de eerste maand van het jaar?januari
6. Welke dag komt voor donderdag?woensdag 7. Wat is meer, een ons koekjes of 100 gram?gelijk_ eşit
8. Hoeveel wieken heeft een molen?vier
9. Wat heb je nodig om te strijken?een strijkijzer
10. Is opa een man of een vrouw?een man
11. Wat doe je met een handdoek?drogen
12. Van welk dier komt wol?een schaap
13. Wat is warmer, de zomer of de winter? de zomer
Zinnen
1. Als ik ha winkelen koop ik vaak schoenen.
2. Ik schaamde me toen ik het antwoord niet wist
3. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
4. Kan iemand misschien een dokter bellen ?
5. Jullie moeten je fiets nu repareren.
6. Als je niet opschiet zul je te laat zijn.
7. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
8. Waar heb je het in hemelsnaam over ?
9. Je zou eens beter op je woorden moeten letten.
10. Dat stond in de krant van gisteren.
11. Ik moet nu gaan, anders kom ik te laat.
12. De volgende keer beginnen we hier.
13. Mag ik even kijken?
14. Het vliegtuig kwam naast de baan terecht.
Tegenstellingen
1. dag - nacht
2. openen - sluiten
3. stout - lief
4. nu - later
5. modern - ouderwets
6. openbaar - privé
7. slordig - netjes
8. andere - dezelfde
9. nieuw - oud
verhalen
Een man uit België had op een nacht een droom dat hij de lotterij ging winnen. In zijn droom
kwam zelfs het getal voorbij van zijn winnende lot: 2, 6, 9, 11, 40, 41.
Zes jaar lang speelde hij mee met de loterij in België, maar won bijna niets. Tot nu. Want
opeens viel hij wel in de prijzen. Geen klein prijsje, maar de man won maar liefst 410.000 euro!
In een Belgische krant zegt de man: 'Dromen zijn geen bedrog'.
Jack Neal uit Engeland heeft een auto gekocht op E-bay voor 12.000 euro. Dat was niet
helemaal de bedoeling. Jack is pas drie jaar oud !
—————————————-
De ouders van Jack kregen een e-mail binnen waarin stond: Gefeliciteerd u heeft een auto
gekocht'. De moeder van Jack had de computer aan laten staan.
De ouders konden Jack niet vragen hoe hij dat gedaan had. Jack lag te slapen.
De volgende ochtend zei Jack, toen 'ie net wakker was: 'Ik heb een auto gekocht'.
examen 2
Zinnen
1. Ik begrijp het niet.
2. Ik denk dat het bijna twaalf uur is.
3. De volgende keer betaal ik.
4. Hoe kon dat zo gebeuren?
5. Dat kan wel kloppen.
6. Waar zijn we gebleven?
7. Vandaag is het een mooie dag.
8. Kan dat niet wat sneller ?
9. Tot ziens!
Vragen
1. Nu is het maandag, welke dag was het gisteren?zondag
2. Wat is groter, een paard of een hond?een paard
3. Wat doe je aan je voeten?lopen 4. Is een pannekoek rond of vierkant?rond
5. Welk dier blaft?hond
6. Welke kleur heeft sneeuw? wit
7. Is een toren laag of hoog? hoog 8 Waar moet je in de winkel betalen?geld
9. Welke kleur heeft een aardbei?rood
10. Wat doe je met je oren?horen
11. Is je moeder een man of een vrouw?een vrouw
12. Wat zwemt in water, een vis of een kip?een vis
13. Schijnt de zon in de nacht?nee
Zinnen
1. Bij de supermarkt kan je van alles krijgen.
2. Dat kan iedereen wel zeggen.
3. Je ontmoet gewoonlijk allerlei soorten mensen.
4. Hier kan ik écht niet aan beginnen.
5. Het moet in december klaar zijn.
6. Heeft u terug van vijftig euro?
7. We hadden gisteren niet zoveel moeten drinken.
8. Zou u een beetje langzamer kunnen spreken ?
9. Volgende keer nemen we een paraplu mee.
10. Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.
11. Zij heeft de hele nacht doorgereden zonder te stoppen.
12. Eigenlijk doe ik dat liever niet.
13. Over een half uur komt er weer een vliegtuig.
14. Zou u hier even willen wachten ?
Tegenstellingen
1. bijzonder - gewoon
2. expres - per ongeluk
3. goedkoop - duur
4. lelijk - mooi
5. dames - heren
6. ouders - kinderen
7. aankleden - uitkleden
8. boven - onder
9. vriezen - dooien
verhalen
Patat misschien duurder
Patat; dat is nu nog overal te krijgen, maar dat wordt straks misschien anders.
Door het slechte weer zijn er minder grote aardappelen. Van kleintjes kunnen patatboeren geen
goeie patat maken. Het zou kunnen dat een frietje daarom duurder wordt.
————————————————-
In Engeland zijn nog zeker 10.000 koffers zoek! Een week geleden dacht de Engelse politie
dat terroristen aanslagen gingen plegen.
Veel vliegtuigen mochten niet vertrekken. Op het vliegveld van Londen kregen duizenden
reizigers te maken met enorme vertragingen en raakten veel mensen hun bagage kwijt. Maar
na een week zoeken zijn er dus nog steeds veel koffers zoek.
Arkadaşlar sizin için soruların cevaplarını yazdım ALLAH yardımcınız olsun tabi benimde Examen 1
Zinnen
1. Kan ik me even voorstellen ?
2. Waarom doet u dat nou ?
3. Mag het iets meer zijn ?
4. Ik heb daar helemaal geen zin in.
5. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
6. Ik weet niet hoe dat kon gebeuren.
7. Het spijt me, dat is uitverkocht.
8. Ik zou niet meer alleen naar huis gaan als ik u was.
9. Kunt u dat nog eens herhalen.
Vragen
1. Kun je rijst eten of drinken?.eten
2. Jan is ouder dan Piet. Wie is het jongst?jan
3. Hoe noem je een gebouw waar kinderen les krijgen ?school
4. Hoe noem je iemand die niet kan zien ?blind
5. Wat doe je in de keuken ?koken
6. Is woensdag een dag of een maand ?een dag
7. Wie woont er op een boerderij ?een boer
8. Als je rijk bent heb je dan veel of weinig geld? veel geld
9. Als iets ingewikkeld is, is het dan makkelijk of moeilijk?moeilijk
10. Kan je schaatsen als het koud is, of warm?koud
11. Wat kun je doen met een mes ?snijden
12. Heeft een verkeerslicht drie of zes kleuren ?drie
Zinnen
1. Ik ga even bloemen kopen.
2. Heb je veel geld over ?
3. Kan dat niet wat sneller ?
4. Bij de supermarkt kan je van alles krijgen.
5. Ik voel me vandaag niet zo lekker.
6. Dat kan iedereen wel zeggen.
7. Je ontmoet gewoonlijk allerlei soorten mensen.
8. Hier kan ik écht niet aan beginnen.
9. Vandaag is het een mooie dag.
10. Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk.
11. De buren hebben een mooie auto.
12. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
13. Kunt u op een andere dag niet terugkomen ?
14. Ik had hem dat advies nooit moeten geven.
Tegenstellingen
1. Vroeg -Laat
2. Vrolijk - Verdrietig
3. Oom - Tante
4. Herfst - Lente
5. Eerder - later
6. Vraag - antwoord
7. Liefde - Haat
8. Achter - Voor
9. Uitgang - Ingang
verhalen
'Fred reed naar huis. Hij was niet blij, want het gesprek met de laatste klant was niet zo goed
verlopen. Fred had geen goede indruk op de klant gemaakt. Die zou vast niets van hem willen
kopen. Toen hij de sleutel in het slot stak, besefte Fred dat hij ook nog zijn tas bij de klant had
laten staan'.
————————————-
De Minister heeft gisteren gezegd dat het goed is als kinderen op scholen het Wilhelmus
kennen. Hij wil kijken of kinderen misschien wel verplicht het volkslied moeten leren op
school. De minister denkt namelijk dat als kinderen het volkslied kennen, ze ook meer
geïnteresseerd raken in geschiedenis. En dat ze meer willen weten over wat er in de
maatschappij gebeurt.
1Welke maand komt na januari? februari
2Wat doe je in je portemonnee? geld
3Zijn wielen rond of vierkant? rond
4Wat is zoet, suiker of zout? suiker
5Wat doe je met een oven? bakken
6Wat doe je met je mond? praten
7Hoe noem je de vader van je moeder? opa
8Is het in de nacht licht of donker? donker
9Hoeveel centimeter is een meter? honderd
10Wat is groter, een boom of een plant
? Een boom
11Wat doe je met een schaar? knippen
12Welk seizoen komt na de lente? zomer
13Wat komt uit de kraan? water
14Wat doe je met een mes? snijden
15Kun je met een lepel eten? ja
16Is een jongen een man of een vrouw? Een man
17Eet je in de ochtend een ontbijt(kahvaltı)? ja
18Wanneer is de lunch? 's middags
19Hoeveel neuzen heeft een mens? een
20Heeft een mens vijf handen of twee handen?twee handen
21Renate is 15 en Anne is 13wie is er jonger? anne
22Hoeveel vingers heeft een mens? tien
23Kan een vliegtuig vliegen? ja
24Welke kleur heeft de lucht(hava)? blauw
25Wat is langer een uur of een kwartier? Een uur
26Kun je op een stoel zitten? ja
27Is iemand die hoofdpijn heeft ziek? ja
28Hoe noem je de zoon van je oom? neef
29Hoe noem je de man van je zus(bacı)? Zwager(enişte)
30Is een koe een mens of een dier? dier
31Doe je een pet(kasket) op je hoofd(kafa)? ja
32Het is nu zes uur..over twee uur is het? Acht uur
33Kun je kleren(giysi) eten? nee
34Piet is dunner([ZAYIF) dan Janwie is het dikst(ŞİŞMAN)? jan
35Heeft een man een baard(sakallı)?ja
36Wat doe je in de keuken? koken
37Wat doe je in een slaapkamer? slapen
38Hoeveel ogen(göz) heeft een mens? twee
39Is een appel gezond? ja
40Wat is gezonder een sinaasappel of chocola? sinaasappel
41Word je van patat dik? ja
42Als je 100 jaar bentben je dan jong? nee
43Kim is 18 jaar en Peter is 32 jaar wie is er ouder? peter
44Is Jan een jongen?ja
45Hoeveel uur heeft een dag? vierentwintih
46Hoeveel kwartier heeft een uur? vier
47Wat is korter een kwartier of vijf minuten? Vijf minuten
48Is een hond(köpek) pars(pars)? nee
49Komt er uit de kraan alleen warm water? nee
50Kan iemand die blind is zien? nee
51Is de zon rond of vierkant? rond
52Is een dag langer dan een jaar? nee
53Welk seizoen is kouderde herfst of de lente? herfst
54Trek ik een jas aan als ik naar buiten of naar binnen ga? İk naar buiten
55Is een broek(pantolon) kleding? ja
56Is moeder een beroep(meslek)?nee
57Kun je met geld betalen? ja
58Hoe noem je de dochter(kızı) van je tante(teyze)? nicht
59Het is nu twee uur..over een kwartier is het.? Kwart over twee
60Het is vandaag zaterdag..overmorgen(birsonraki gün) is het..?maandag
61Heeft een paard benen of poten? poten
62Heeft een mens twee benen of 3 benen? Twee benen
63Is zondag een werkdag? nee
64Wat noemen we het weekend? Zaterdag en zondag
65Noem een werkdagmaandag, dinsdag, woevstdag, donderdag, vrijdag
66Het is nu woensdag..gisteren was het? dinsdag
67Welk seizoen is het koudst? winter
68Welk seizoen is het warmst? zomar
69Wat doet een bakker? brood bakken
70Als iets ingewikkeld is, is het dan makkelijk of moeilijk? moeilijk
71Ben je gezond of ziek als je de griep hebt? ziek
72Mijn vader is langer dan mijn moeder..wie is het langst? Mijn vader
73Is leraar een beroep? ja
74Als ik boos benga ik dan lachen? nee
75Is de nacht licht of donker? donker
76Schijnt de zon overdag? ja
77Heeft een verkeerslicht drie of zes lichten? drie
78Wat is eerderacht uur of half negen? acht
79Wat is gezonder snoep(şeker) of fruit? fruit
80Is een peer groente(sebze)? nee
81Zijn groente en fruit goed voor de gezondheid? ja
82Het is nu vrijdageergisteren was het? woenstdag
83Legt een haan een ei? nee
84Het is nu negen uurover een half uur is het? Half tien
85Staat een oven in de keuken? ja
86Wat doe je in een keuken? broot koken
87Kan ik met een bril kijken? ja
88Als ik blind ben kan ik dan niet zien of niet horen? Niet zien
89Is januari een seizoen? nee
90Is oma een mens of een dier? Een mens
91Wat is gezonder melk of limonade? melk
92Hoeveel seizoenen heeft een jaar? vier
93Heeft de mens een lichaam(beden)? ja
94Heeft een huis een huiskamer? ja
95Wat is duurdereen trui van 15 euro of 30 euro? 30 euro
96Wordt iets goedkoper met korting(indirim)? ja
97Is oktober een seizoen of een maand? Een maand
98Welke maand komt voor mei? april
99Als iets eenvoudig(basit) is, is het dan makkelijk of moeilijk ? makkelijk
100Als iets kookt, is het dan heet(kaynar) of koud ? heet
101Wat doe je in een bed ? slapen
102Hoeveel zijden(üçgen) heeft een driehoek ? drie
103Hoe smaakt(tat) suiker ? zoet
104Wat is groter een muis of een konijn(tavşan) ?konijn
105Welk getal(sayı) komt na 19? twintig
106Welke kleur heeft bloed(kan)? rood
107Is je nicht een man of een vrouw? Een vrouw
108Is tekenen(resim yapmak) een hobby of een beroep(meslek)? hobby
109Is een gezicht vierkant? nee
110Fiets je op een rivier of op een pad(patika) ? pad
111Is ijs(dondurma) warm of koud ?koud
112Wat is minder24 euro of 11 euro? Elf euro
113Zijn schoenen om te lopen(yürümek) of om te drinken ? om te lopen
114Waar ga je naar toe als je ziek bent? De dokter
115Wat is later 12 uur of half 11? twaalf uur
116Wat komt er na de zomer? herfst
117Sneeuwt het in de winter of in de lente? winter
118Wat doe je met een glas? drinken
119Als je arm bent heb je dan veel of weinig geld? Weinig geld
120Kun je met een vliegtuig vliegen? ja
121Is een bloemkool(karnabahar) groente(sebze) of fruit? groente
122Welk dier legt eieren? kip
123Is een kip een man of een vrouw? Een vrouw
124Is een stier(boğa) een man of een vrouw?een man
125Waar woon je? turkije
126Kun je met een auto rijden of vliegen? rijden
127Als je een groot gezin(aile) hebt, heb je dan veel of weinig kinderen? veel
128Is een kerk(kilise) een gebouw(bina) of poort(büyük kapı)? gebouw
129Kan een vis zwemmen? ja
130Kun je rijst(pirinç) eten of drinken? eten
131Is een merrie een man of een vrouw? vrouw
132Hoe noem je een gebouw(bina) waar kinderen les(ders) krijgen(almak)? school
133Kun je schaatsen(paten kaymak) als het koud is, of warm? koud
134 1 uur hoeveel kwartier is het? vier
135 1 uur..hoeveel minuten is dat? zestig
136Een half uur..hoeveel minuten is dat? diertig
137 1 minuut hoeveel seconden is dat? zestig
138Wat is meer..64 euro of 65 euro? vijfeenzestig
139Kan een paard hinniken(kişnemek) of blaffen(havlamak)? hinniken
140Wat doet een poes(kedi)? Miauwen
141Is een hengst(aygır) een man of een vrouw? Man
142Wat doe je met een boek? lezen
143Waar ga ik naartoe als ik ziek ben? Naar de dokter
144Is een huis een gebouw? ja
145Wat kun je met een videocamera? video opnemen
146Kim is langer dan peter.is kim het langst?ja
147Doe je het licht aan of uit als het donker is? Aan
karanlik olursa lambayi acarmisin kaparmisin
148Is Parijs een stad(şehir) of een land(ülke)? Een stad
149Is jan een voornaam of een achternaam? voornaam
150Kan een stier(boğa) melk geven(vermek)?nee
151Is een lammetje ouder dan een schaap? Nee
bir kuzu koyundan yaslimidir
152In welke maand is het kerst(noel)? December
153Wat wordt er op 5 december gevierd? Sinterklaas cocuk bayrami
154Is een trein een vervoersmiddel(ulaşım aracı)? ja
155Is roken(sigara içmek) gezond of ongezond?ongezond
156Als iets gemakkelijk(kolay basit) is..is het dan makkelijk of moeilijk?makkelijk
157Kan een eend(ördek) in het water zwemmen? ja
158Zien alle mensen er hetzelfde(aynı) uit? Nee
butun insanlar aynimi gorunur
159Kan een baby praten? nee
160Wat is de eerste dag van de week? maandag
161Hoeveel dagen telt(sayı) een week? zeven
162Wat is de laatste dag van de week? zondag
163Is een kind van 8 jaar volwassen? nee
164Is zuurkool(lahana turşusu) groente of fruit? groente
165Zijn groenten(sebzeler) gezond? ja
166Is een jurk(elbise) voor een meisje of een jongen? meisje
167ın welk seizoen schijnt de zon het mest(en çok)? zomar
168Welk getal(sayı) komt na 65? zesenzestig
169Zijn groente en fruit goed voor de gezondheid? ja
170Het is nu vrijdageergisteren was het? woenstdag
171Legt een haan(horoz) een ei? nee
172Het is nu negen uurover een half uur is het?half tien
173Staat een oven in de keuken? ja
174Welke maand komt voor mei? april
175Als iets eenvoudig(KOLAY is, is het dan makkelijk of moeilijk ?MAKKELİJK
176Als iets kookt, is het dan heet of koud ? heet
177Wat doe je in een bed ? slaapen
178Fiets je op een rivier of op een pad ? pad
179Is ijs warm of koud ? koud
180Wat is minder24 euro of 11 euro? Elf euro
181Zijn schoenen om te lopen of om te drinken ? lopen
182Waar ga je naar toe als je ziek bent? Naar de dokter
183Kan ik met een bril kijken? ja
184Als ik blind ben kan ik dan niet zien of niet horen? Niet zien
185Als iets gemakkelijk(basit) is..is het dan makkelijk of moeilijk? makkelijk
186Is januari een seizoen? nee
187Is een trein een vervoersmiddel(taşıma aracı)? ja
188Is roken gezond of ongezond?ongezond
189Kan een eend in het water zwemmen?ja
190Is de basisschool(ilkokul)voor volwassenen? nee
191Is een berg hoog of laag? hoog
192Wat doe je met een nagelschaar(tırnak makası)? Nagel knippen
193Hoeveel voeten heeft een mens? twee
194Wat kun je met een telefoon? praten
195Wat doe je met een weegschaal(tartı)? wegen
196Hoeveel dagen telt een week? zeven
197Kan ik met een bril kijken? ja
198Als ik blind ben kan ik dan niet zien of niet horen? Niet zien
199Als iets gemakkelijk is..is het dan makkelijk of moeilijk?makkelijk
200Is januari een seizoen? nee
201 Is een trein een vervoersmiddel? ja
202 Is roken gezond of ongezond? ongezond
203Kan een eend in het water zwemmen? ja
204Is de basisschool(ilkokul) voor volwassenen? nee
205Is een berg hoog of laag? hoog
206Wat doe je met een nagelschaar? Nagel knippen
207Hoeveel voeten heeft een mens? twee
208Wat kun je met een telefoon? praten
209Wat doe je met een weegschaal(terazi)? wegen
210Hoeveel dagen telt een week? zeven
211Kruipen(sürünmek)is dat snel(hızlı) of langzaam(yavaş)?langzaam
212Hoe noem je iemand die niet kan zien? blind
213Komt er uit de kraan alleen warm water? nee
214Wat verkoopt(satmak)een groenteman(manav)? groente
215Is een pannekoek rond of vierkant? rond
216Het is nu vrijdageergisteren was het?woenstdag
217Hoe noem je de moeder van je moeder? oma
218Wordt iets goedkoper met korting(indirim)? ja
219Heeft een verkeerslicht(trafik lambası) drie of zes lichten? drie
220 's nachts..is het dan donker of licht? donker
221 Is oktober een seizoen of een maand?maand
222Wat doe je met een mes? snijden
223Wat is eerderacht uur of half negen?acht uur
224Waar woont een koning?place(saray)
225Wat kun je met een vork? eten
226Iemand met een laag salaris(maaş) verdient(kazanmak) hij veel of weinig? weinig
dusuk maasli birisi azmi cokmu kazanir
227Heeft een mens vijf ogen? nee
228Hoe noem je de dochter van je oom(amca dayı)? nicht
229Kan een paard mekkeren(melemek)? nee
230Is roken gezond of ongezond? ongezond
**231Wat doet een vogel?VLİEGEN
232Vandaag is het vrijdagovermorgen is het? zondag
233Schaatsen(paten)doe je dat als het koud is? ja
234Wat kun je in een vaas(vazo) zetten(koymak)? bloomen
235Is een toren laag? nee
236 1 uuris dat 60 minuten of 60 seconden? Zestig minuten
237Valt er sneeuw in de zomer? nee
238Kerst(noel) is dat in september of december? december
239Schijnt de zon 's nachts of overdag? OVERDAG
**240Wat kan een vliegtuig?VLİEGEN
241 Is een schaap(koyun) jonger dan een lammetje(kuzu)? nee
242Wat is sneller(hızlı süratli)rennen(koşmak) of kruipen(sürünmek)? rennen
243Is twintig minuten langer dan 30 minuten? nee
244Wat kan een vis? zwemen
245Blindis dat anders dan doof?JA
246Wat is kortereen jaar of een dag? een dag
247Is gras groen?ja
248Wat kun je met geld? betalen
249Een neef.is dat een man of een vrouw? man
250Het is nu oktober.volgende maand is het? NOVEMBER
251Wat doet een hond?blift
252Gezondis dat hetzelfde als ongezond? nee
253Is je nicht(kız kuzen) de zoon(oğul) van je tante(teyze)?nee
254Is een hengst (aygır)een man of een vrouw? man
255Heeft een mens vier of twee voeten? Twee voeten
256Kun je met een neus ruiken(koklamak) of zien? ruiken
257Is een appel groente of fruit? fruit
258Wat is langer een uur of 60 minuten? evenfeel
259Is de herfst kouder dan de zomer? ja
260Is eenvoudig(KOLAY) hetzelfde als makkelijk?JA
261Tim is korter dan Janwie is het langst?jan
262Valt er sneeuw in de zomer? nee
263Wat is gezonderpatat of een peer(armut)? peer
264Wat kun je met een potlood(kurşun kalem) ?schrijven
265Wat kun je op een stoel? zetten
266Wat geeft(vermek) een koe? melk
267Is een sinaasappel paars of oranje? oranje
268Hoeveel vingers heeft een mens? tien
269Kan een haan een ei leggen?nee
270Wat is harder(sert)schreeuwen(bağırmak) of fluisteren(fısıldamak)? schreeuwen
271Welke maand komt na mei? JULİ
272Heeft een leeuw(aslan) benen of poten? poten
273 's nachts..is het dan donker of licht? DONKER
274Wordt iets duurder(pahalı) met korting(indirim)?nee
275Wat doet een paard? hinniken
276Is sporten gezond of ongezond? gezond
277Welk getal is groter55 of 65?vijfenzestig
278Is zuurkool(lahana) groente of fruit? groente
279Wat kun je met een auto? rijden
280Wat doet een schilder(ressam)? Schilderen(resim)